Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen - Pensioenen - AOW - Nederland - Belastbaarheid
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 27.11.2007
Pensioenen - AOW - Nederland - Belastbaarheid
Belastingplichtige verkreeg uitkeringen op grond van de Nederlandse
Algemene Ouderdomswet (in ?t kort A.O.W.), die door de taxatieambtenaar als
een “pensioen” en dus beroepsinkomen, werd aangezien en aldus werd
aangeslagen.
Uit de gegevens blijkt duidelijk dat iedere Nederlandse onderdaan ? ongeacht
of hij ooit/ een beroepsactiviteit heeft uitgeoefend ? gerechtigd is op de
kwestieuze uitkering.
Dat dan ook te dezen zeer terecht de vraag rijst of de voornoemde uitkering
op enigerlei wijze rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt met een
voorheen uitgeoefende beroepsactiviteit, dat het feit dat personen die een
activiteit beoefenen bijdragen dienen te betalen en het feit dat beroepsloze
personen zulks niet dienen te doen, geenszins kan uitwijzen dat het een
“beroepsinkomen” betreft; dat deze uitkering derhalve een sociale maatregel
betreft die geen verband heeft met een beroepsactiviteit.
De taxaties van de op grond van voornoemde W.A.O. ontvangen uitkeringen zijn
in strijd met de wet en kunnen niet behouden blijven.
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend
te Antwerpen, ZESDE KAMER,
Recht doende in burgerlijke zaken,
heeft het volgende arrest uitgesproken:
In zake: 2006/AR/1919
a p p e l l a n t e n,
tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van
eerste aanleg te Antwerpen van 3 maart 2006;
vertegenwoordigd door Meester K. L. loco
Meester D. V. B.,
advocaat te …;
tegen:
de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon
van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000
Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de Gewestelijke Directeur van de
Directie Antwerpen II, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen,
Tabaksvest 50;
g e ï n t i m e e r d e,
vertegenwoordigd door Meester A. V.
L.J., advocaat te …;
* * *
Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm
overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het vonnis van de
rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 3 maart 2006, waarvan geen
akte van betekening wordt voorgebracht, alsmede het verzoekschrift tot hoger
beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 26 juni 2006, waardoor een
naar vorm en termijn regelmatig en toelaatbaar hoger beroep wordt ingesteld;
Overwegende dat appellanten de hervorming nastreven van het bestreden
vonnis teneinde hun vorderingen, ontvankelijk en gegrond te horen verklaren,
dienvolgens hun bezwaarschriften gegrond te horen verklaren, de betwiste
aanslagen te horen tenietdoen en geïntimeerde te horen veroordelen tot
terugbetaling van alle ten onrechte geïnde bedragen, vermeerderd met de
moratoriumintresten en de kosten van het geding;
Dat zij daartoe alle voor de eerste rechter ingeroepen middelen en
argumenten handhaven;
Overwegende dat geïntimeerde geen grieven aanvoert tegen het bestreden
vonnis; dat hij het Hof verzoekt het hoger beroep ongegrond te verklaren,
appellanten ervan af te wijzen en hen te veroordelen tot de kosten van het
geding;
Dat hij bovendien bij wijze van tegenvordering, ingesteld bij conclusie,
het Hof verzoekt tweede appellante te veroordelen tot betaling van een
schadevergoeding ten bedrage van 1 000,00 EUR wegens het instellen van een
tergend en roekeloos hoger beroep;
* * *
Overwegende dat de eerste rechter het voorwerp der onderscheiden
vorderingen alsmede de proceduriële voorgaanden desbetreffend op bondige
doch passende wijze in het bestreden vonnis heeft uiteengezet; dat hij
tevens terecht beide vorderingen ? betrekking hebbende op betwistingen in
zake aanslagjaren 2001 en 2002 ? wegens samenhang heeft gevoegd;
Dat het Hof deze uiteenzettingen en vaststellingen bijtreedt en hier voor
hernomen houdt;
1) De toelaatbaarheid van de oorspronkelijke vorderingen.
Overwegende dat thans, na nieuw onderzoek, blijkt dat de eerste rechter
terecht onder verwijzing naar de art. 1385 decies, 1034 ter 6° en 862 § 1,
2° Ger.W. de vorderingen van huidige tweede appellante ontoelaatbaar heeft
verklaard;
Dat inderdaad krachtens art. 1034 ter 6° Ger.W.een verzoekschrift, op
straffe van nietigheid, waarbij een vordering wordt ingesteld ? ook in
toepassing van art. 569 Ger.W. ? door de verzoeker of zijn advocaat dient
ondertekend; dat het verzuim van ondertekening van een akte gesanctionneerd
wordt door art. 862 Ger.W. en deze sanctie de absolute nietigheid is
ongeacht of het normdoel is bereikt;
Overwegende dat dan ook te dezen huidige tweede appellante ingevolge
“nietigheid” van de inleidende akten geen toelaatbare vorderingen heeft
ingesteld;
Dat zij thans voor het Hof geen dienende uitleg verschaft nopens de
eventuele toelaatbaarheid, doch enkel verwijst naar “impliciete”
bedoelingen; dat ” bedoelingen” evenwel expliciet voorgeschreven regels niet
terzijde kunnen schuiven; dat immers de regelen in zake het instellen van
een vordering de openbare orde raken, en van strikte toepassing zijn;
Overwegende dat dienvolgens te dezen tweede appellante, bij gebrek aan
enige weerlegging van de pertinente vaststellingen van de eerste rechter, op
onterechte wijze hoger beroep heeft ingesteld wat uiteraard geïntimeerde en
de appelrechter noopt tot stellingname met betrekking tot een onverantwoord
verweer;
Dat het dan ook in de gegeven omstandigheden gepast voorkomt tweede
appellante, wegens misbruik van procesrecht, te veroordelen tot het betalen
van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep, begroot
ex aequo et bono op 200,00 EUR;
2) Ten gronde.
A. Overwegende dat het Hof, na nieuw onderzoek, vaststelt
dat de eerste rechter om de oordeelkundige redengeving van het bestreden
vonnis ? die het Hof overneemt, tot de zijne maakt en hier geheel voor
herhaald houdt ? zowel met betrekking tot de taxatieprocedure (aanslagjaar
2001), de motiveringsverplichtingen in de berichten van wijziging van
aangifte (aanslagjaren 2001 en 2002), de belastbaarheid als “pensioenen” ?
en dus beroepsinkomsten ? van bedragen uitgekeerd door de Nationale
Nederlanden juist heeft geoordeeld en derhalve terecht deze vorderingen
inhoudende verweer heeft afgewezen;
Dat evenzeer terecht de eerste rechter om dezelfde oordeelkundige
redengeving van het bestreden vonnis de vorderingen van huidige
geïntimeerden tot het bekomen van een vergoeding voor gevolgschade, gesteund
op art. 1382 B.W., ontoelaatbaar heeft verklaard;
Overwegende dat inderdaad een vordering tot schadevergoeding niet kadert
in een vordering met betrekking tot de toepassing van de belastingwet zoals
bedoeld in art. 569 Ger.W.; dat dan ook dergelijke vordering overeenkomstig
de gemeenrechtelijke voorschriften dient ingesteld;
Dat met betrekking tot de voornoemde procedure en de belastbaarheid van
de bekomen uitkeringen als “pensioenen” ? en dus beroepsinkomsten ?
appellanten geen bewijskrachtige gegevens voorbrengen die van aard zijn de
pertinente vaststellingen van de eerste rechter te weerleggen of te
ontkrachten; dat dan ook de thans herhaalde middelen en argumenten als
ongegrond worden afgewezen;
B) Overwegende dat eerste appellant in de betrokken inkomstenjaren tevens
uitkeringen bekwam op grond van de Nederlandse Algemene Ouderdomswet (in ?t
kort A.O.W.), die door de taxatieambtenaar tevens als een “pensioen” en dus
beroepsinkomen, werd aangezien en aldus werd aangeslagen;
Dat evenwel uit de door appellanten voorgebrachte gegevens duidelijk
blijkt dat iedere Nederlandse onderdaan ? ongeacht of hij ooit/ een
beroepsactiviteit heeft uitgeoefend ? gerechtigd is op de kwestieuze
uitkering;
Dat dan ook te dezen zeer terecht de vraag rijst of de voornoemde
uitkering op enigerlei wijze rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt
met een voorheen uitgeoefende beroepsactiviteit, dat het feit dat personen
die een activiteit beoefenen bijdragen dienen te betalen en het feit dat
beroepsloze personen zulks niet dienen te doen, geenszins kan uitwijzen dat
het een “beroepsinkomen” betreft; dat deze uitkering derhalve een sociale
maatregel betreft die geen verband heeft met een beroepsactiviteit;
* * *
Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, het bestreden vonnis op juiste
gronden werd gewezen wat betreft:
1) de ontoelaatbaarheid van de vorderingen van
tweede appellante;
2) de taxatieprocedures met betrekking tot de
aanslagjaren 2001 en 2002;
3) de heffing van de belastingen op de als
pensioenen door de “Nationale Nederlanden” uitgekeerde bedragen;
Dat evenwel wat de taxaties van de op grond van voornoemde W.A.O.
ontvangen uitkeringen betreft, deze in strijd met de wet werden gevestigd en
niet kunnen behouden blijven;
Dat, gelet op wat voorafgaat, tevens de tegenvordering van geïntimeerde
deels gegrond is; dat het gepast voorkomt appellanten en geïntimeerde ieder
in de helft van de kosten te verwijzen.
* * *
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Recht doende op tegenspraak;
Gelet op de artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935;
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond;
Verklaart de tegenvordering ontvankelijk en deels gegrond;
Wijzigt het bestreden vonnis in zoverre het de A.O.W. ? uitkeringen met
betrekking tot de aanslagjaren 2001 en 2002 belastbaar verklaart; doet
dienvolgens de betwiste aanslagen in die mate teniet en veroordeelt
geïntimeerde tot terugbetaling van alle terzake ten onrechte geïnde bedragen
vermeerderd met de moratoriumintresten;
Bevestigt voor het overige het bestreden vonnis mede om vorenstaande
consideransen;
Veroordeelt tweede appellante tot betaling van een schadevergoeding ten
bedrage van 200,00 EUR wegens het instellen van een tergend en roekeloos
hoger beroep;
Verwijst appellanten en geïntimeerde ieder in de helft van de kosten,
begroot op volgens opgave in conclusie, aan de zijde van:
appellanten
- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 364,40 EUR
- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 485,87 EUR
geïntimeerde
- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 485,88 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF
VAN BEROEP te ANTWERPEN van
ZEVENENTWINTIG NOVEMBER
TWEEDUIZENDENZEVEN, waar aanwezig waren:
R. T., Voorzitter;
D. W. en M. V.d.B.,
Raadsheren;
A. V.L., Griffier.
A. V
. L.
M. V. D.B.
D. W.
R. T.