Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 30.10.2007 Aftrek giften

ARREST G 07/1261

Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 30.10.2007

Aftrek giften

    De vader van de eerste geïntimeerde, A. V.D., heeft
betalingen gedaan aan de vzw B. D. Bij elke betaling schreef de vader van de eerste geïntimeerde
aan de vzw B. D. een brief waarin hij verduidelijkte dat de som bedoeld was voor
een welbepaald project in Kameroen en dat het fiscaal attest moest uitgereikt
worden aan zijn zoon, de eerste geïntimeerde. De eerste geïntimeerde ontving de fiscale attesten van de vzw B. D. op zijn naam en hij vermeldde de betreffende bedragen als aftrekbare
giften in de aangifte in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1999, 2000 en
2001.

    Volgens de administratie hadden de geïntimeerden geen
recht op aftrek van de giften, omdat zij niet zelf de schenkers ervan waren. De administratie stelt dat in artikel 104 WIB92 bedoelde
aftrekbare giften wel kunnen gebeuren bij wijze van lastgeving, maar dat de
geïntimeerden nalaten te bewijzen dat de vader van de eerste geïntimeerde
hun lasthebber was toen hij de giften betaalde aan de vzw B. D.

    De geïntimeerden voeren aan dat een lastgeving niet
aan vormvereisten is onderworpen, terwijl de aanvaarding ervan in om het
even welke vorm en ook mondeling of stilzwijgend kan gebeuren.

    Er bestaat van deze aaneenschakeling van deze beweerde
schenking-met-last gecombineerd met een lastgeving geen schriftelijke
overeenkomst. De beide rechtshandelingen komen evenwel rechtsgeldig tot
stand door de enkele wilsovereenstemming tussen de contractpartijen. Uit de
verklaring van de vader van de eerste geïntimeerde, blijkt die
wilsovereenstemming. Deze stelling wordt bevestigd door de uitvoering van de
giften door de vader en het feit dat het fiscaal attest aan de eerste
geïntimeerde moest toekomen. Dat impliceert ook dat de vader de lastgeving
aanvaard heeft. Wat de vestiging van de belasting betreft, is de fiscu geen
derde. Behoudens bewijs van veinzing, moet hij de overeenkomsten die tussen
de contractpartijen bestaan erkennen en respecteren.

    In die omstandigheden heeft de administratie de aftrek
van de betreffende giften ten onrechte verworpen en is het hoger beroep
ongegrond.

VOLLEDIGE TEKST

Hof van beroep te Gent

5e kamer

___________

terechtzitting van 30-10-2007

BELASTINGEN

Nr.2006/AR/1789

in de zaak van:

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van
Financiën, Wetstraat 14 te 1000 BRUSSEL, in de persoon van de Gewestelijke Directeur der directe
belastingen te Brugge, wiens kantoor gevestigd is te 8000 BRUGGE, G.
Vincke-Dujardinstraat 4,

appellant,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V.D.P. J., advocaat te …,

tegen:

V.D. I., arts, en zijn echtgenote,
S. E.,
samenwonende te …,

geïntimeerden,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. F. loco mr. M. J., advocaat
te …

spreekt het Hof het volgend arrest uit:

1.    Procedure

Bij verzoekschrift van 10 juli 2006 heeft de appellant hoger beroep
ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te
Brugge, vierde kamer, op 16 januari 2006 werd uitgesproken. In het bestreden
vonnis werden de fiscale vorderingen van de geïntimeerden ontvankelijk en
gegrond verklaard. Bijgevolg werd gezegd voor recht dat de in de jaren 1998,
1999 en 2000 gedane giften aan B. D. op het belastbaar inkomen van de
geïntimeerden in mindering moesten worden gebracht en werd in die mate
ontheffing van de bestreden aanslagen verleend met terugbetaling van de
eventueel betaalde of ingehouden bedragen vermeerderd met de
moratoriuminterest. De appellant werd veroordeeld tot het betalen van de
gerechtskosten.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van
het Hof te bekomen dat de oorspronkelijke vorderingen van de geïntimeerden
ongegrond worden verklaard met veroordeling van de geïntimeerden tot het
betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De geïntimeerden vorderen de bevestiging van het bestreden vonnis.

2.    Feitelijke gegevens

De vader van de eerste geïntimeerde, A. V.D., heeft de volgende
betalingen gedaan aan de vzw B. D.:

  • op 11 december 1998: 895.000 frank (22.186,47 euro);
  • op 10 december 1999: 882.000 frank (21.864,21 euro) en
  • op 8 december 2000: 882.000 frank (21.864,21 euro).

Bij elke betaling schreef de vader van de eerste geïntimeerde aan de vzw
B. D. een brief waarin hij verduidelijkte dat de som bedoeld was voor een
welbepaald project in Kameroen en dat het fiscaal attest moest uitgereikt
worden aan zijn zoon, de eerste geïntimeerde.

De eerste geïntimeerde ontving de fiscale attesten van de vzw B. D. op
zijn naam en hij vermeldde de betreffende bedragen als aftrekbare giften in
de aangifte in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1999, 2000 en 2001.
Na aanvankelijke aanslagen overeenkomstig de aangifte (waarin de giften
weliswaar beperkt werden tot 10% van het totale netto-inkomen, zoals
voorzien in artikel 109 WIB92), ontvingen de geïntimeerden voor elk van de
betreffende aanslagjaren een bericht van wijziging van aangifte. Daarin werd
aangevoerd dat de geïntimeerden geen recht op aftrek van de giften hadden
omdat zij niet zelf de schenkers ervan waren, terwijl dat uit de wettelijke
bepalingen als vereist zou moeten afgeleid worden.

Namens de geïntimeerden werd op die berichten van wijziging van de
aangifte geantwoord dat ze niet akkoord waren. Zij voerden aan dat er een
akkoord was tussen de geïntimeerde en diens vader dat deze laatste aan zijn
zoon de bedragen schonk maar dat deze bestemd waren voor de vzw B. D., die
als sinds jaren inging op het verzoek om het fiscaal attest uit te reiken
aan de eerste geïntimeerde. De geïntimeerden stelden dat, mocht die
werkwijze niet aanvaard zijn geweest, de vader de schenking eerst aan de
zoon zou overhandigd hebben om het daarna aan de vzw B. D. over te maken
zodat hetzelfde effect zou zijn bereikt.

Vermits de appellant de visie van de geïntimeerden niet deelde, werd
overgegaan tot vestiging van supplementaire aanslagen overeenkomstig de
berichten van wijziging van de aangifte. Het gaat om de volgende aanslagen
in de personenbelasting en de aanvullende belastingen op naam van de
geïntimeerden:

  • aanslagjaar 1999: kohierartikel 719.262.426, uitvoerbaar verklaard
    op 3 december 2001;
  • aanslagjaar 2000: kohierartikel 722.985.787, uitvoerbaar verklaard
    op 22 maart 2002;
  • aanslagjaar 2001: kohierartikel 739.117.742, uitvoerbaar verklaard
    op 12 december 2003.

In de twee eerste genoemde aanslagen was een belastingverhoging van 10%
opgelegd wegens onjuiste aangifte;

De geïntimeerden hebben tegen elk van die aanslagen een bezwaarschrift
ingediend. De appellant wees het bezwaar af in de directeursbeslissingen van
respectievelijk 20 juni 2002 (voor de aanslagjaren 1999 en 2000) en 4 mei
2004 (voor aanslagjaar 2001), met dien verstande dat voor de eerste twee
aanslagjaren de belastingverhoging ontheven werd.

Met verzoekschriften van 3 september 2002 en 21 juni 2004 stelden de
geïntimeerden hun vorderingen voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge
in.
In zijn vonnis van 16 januari 2006 heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te
Brugge de zaken gevoegd en de vorderingen van de geïntimeerden gegrond
verklaard, zoals hoger vermeld.
Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep instelt.

3.    Grieven en argumenten van de partijen

3.1.    Standpunt van de appellant

De appellant stelt dat in artikel 104 WIB92 bedoelde aftrekbare giften
wel kunnen gebeuren bij wijze van lastgeving, maar dat de geïntimeerden
nalaten te bewijzen dat de vader van de eerste geïntimeerde hun lasthebber
was toen hij de giften betaalde aan de vzw B. D. . De eerste rechter heeft
volgens de appellant het bewijs van de lastgeving ten onrechte afgeleid uit
de enkele verklaring van de vader van de eerste geïntimeerde van 7 juni 2004
waarin deze verklaarde de stortingen gedaan te hebben in naam en voor
rekening van zijn zoon. De appellant laat gelden dat er volgens het
Burgerlijk Wetboek een akte voor notaris of een onderhandse akte moet worden
opgemaakt van een lastgeving wanneer deze de waarde van 375 euro te boven
gaat; de aanneming van de lastgeving zou kunnen bewezen worden door de
uitvoering ervan door de lasthebber.
Daarnaast maakt de appellant ook een analyse van het begrip schenking en
concludeert dat de eerste geïntimeerde niet als schenker kan worden
beschouwd omdat niet zou zijn aangetoond dat hij door de betreffende
schenkingen aan de vzw B. D. verarmd is. Volgens de appellant is de
bedoeling om te schenken (ten voordele van het welbepaalde project in
Kameroen) eerder aanwezig bij de vader van de eerste geïntimeerde.
Volgens appellant heeft de vzw B. D. ten onrechte de fiscale attesten
opgemaakt op naam van de eerste geïntimeerde in plaats van op naam van diens
vader. De wetteksten zouden alleen toelaten een attest af te leveren aan de
schenker en slechts de vader van de eerste geïntimeerde zou schenker zijn
geweest, te meer hij ten aanzien van de vzw B. D. niet vermeldde dat hij de
schenkingen deed in naam en voor rekening van zijn zoon. Omdat het attest
niet geldig zou zijn, kan er volgens de appellant geen aftrek worden
toegestaan.

3.2.    Standpunt van de geïntimeerden

De geïntimeerden voeren aan dat een lastgeving niet aan vormvereisten is
onderworpen, terwijl de aanvaarding ervan in om het even welke vorm en ook
mondeling of stilzwijgend kan gebeuren. De uitvoering van het mandaat zou de
aanvaarding ervan bewijzen, en hetzelfde bewijs zou uitgaan van de
buitengerechtelijke betekenis van de lasthebber. In dat verband beroepen de
geïntimeerden zich op de verklaring van 7 juni 2004 van de vader van de
eerste geïntimeerde, waarin deze verklaarde de stortingen gedaan te hebben
in naam en voor rekening van zijn zoon.

4.    Beoordeling

In zoverre de geïntimeerden stellen dat de vader van de eerste
geïntimeerden de bedragen aan de vzw B. D. betaalde ‘in naam en voor
rekening’ van zijn zoon, impliceert dit dat deze gelden eerst aan de eerste
geïntimeerde waren geschonken door diens vader; in die zin is ook destijds
gereageerd namens de geïntimeerden op de berichten van wijziging van de
aangifte. In wezen komt hun stelling erop neer dat de vader van de eerste
geïntimeerde aan deze in elk van de betrokken jaren een schenking heeft
willen doen onder de last dat het betreffende bedrag aan de vzw B. D. zou
worden gegeven voor het welbepaalde werk in Kameroen, dat de eerste
geïntimeerde deze schenking en de last heeft aanvaard en op zijn beurt
daartoe zijn vader als lasthebber heeft aangesteld om het bedrag aan de vzw
B. D. te storten zodat de materiële overdracht van het bedrag van de vader
aan de zoon overbodig werd.

Er bestaat van deze aaneenschakeling van deze beweerde schenking-met-last
gecombineerd met een lastgeving geen schriftelijke overeenkomst. De beide
rechtshandelingen komen evenwel rechtsgeldig tot stand door de enkele
wilsovereenstemming tussen de contractpartijen. Uit de verklaring van de
vader van de eerste geïntimeerde van 7 juni 2004, waarin deze verklaarde de
stortingen gedaan te hebben in naam en voor rekening van zijn zoon enerzijds
en het feit dat de geïntimeerden die stelling integraal bevestigen in de
fiscale procedure en reeds in hun antwoorden op de berichten van wijziging
uitlegden dat het om een schenking aan de eerste geïntimeerde ging, gevolgd
door een schenking namens hem aan de vzw B. D., blijkt die
wilsovereenstemming. Deze stelling wordt bevestigd door de uitvoering van de
giften door de vader en het feit dat het fiscaal attest aan de eerste
geïntimeerde moest toekomen. Dat impliceert ook dat de vader de lastgeving
aanvaard heeft.
Wat de vestiging van de belasting betreft - wat hier aan de orde is - is de
fiscus (de appellant) geen derde. Behoudens bewijs van veinzing, moet hij de
overeenkomsten die tussen de contractpartijen bestaan (en volgens de tussen
hen geldende bewijsmiddelen bewezen zijn) erkennen en respecteren. De
appellant beroept zich niet op veinzing. Kennelijk was de eerste
geïntimeerde bereid om te aanvaarden dat hij voor elk van de betrokken jaren
een aanzienlijk bedrag als voorschot op zijn erfdeel kreeg zonder het
effectief te mogen incasseren en nam hij genoegen met het fiscaal voordeel
van de gift die hij met het geld moest doen. Dat betreft evenwel een
opportuniteitsbeoordeling waarom de appellant geen opmerkingen mag maken
(wat hij ook niet doet).

Verder is de stelling van de appellant als zou er geen sprake zijn van
een schenking door de eerste geïntimeerde omdat hij niet verarmd is, onjuist
vermits hij wel degelijk het bedrag dat de vader hem schenk, op zijn beurt
aan de vzw B. D. liet overmaken.

Vermits de schenker van de giften aan de vzw B. D. daadwerkelijk de
eerste geïntimeerde is, werd het ontvangstbewijs (het fiscaal attest)
rechtsgeldig uitgereikt op zijn naam.

In die omstandigheden heeft de appellant de aftrek van de betreffende
giften ten onrechte verworpen en is het hoger beroep ongegrond.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen
in gerechtszaken;

gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en
conclusies,

verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond;
bevestigt het bestreden vonnis.

veroordeelt de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van deze
aanleg, vastgesteld als volgt:
- aan de kant van de appellant:
        * uitgavenvergoeding hoger beroep:            
60,73 EUR
        * rechtsplegingsvergoeding hoger
beroep   485,87 EUR
- aan de kant van de geïntimeerden:
        * rechtsplegingsvergoeding hoger
beroep   485,87 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van
beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op DERTIG
OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN.

Aanwezig de Heren:

A. D.M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en D. V., Raadsheren,
M. V., griffier.