Arrest van het Hof van Beroep te Gent - Terbeschikkingstelling gezinswoning - Onderhoudsuitkering in natura
Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 11.12.2007
Terbeschikkingstelling gezinswoning - Onderhoudsuitkering in natura
Het gratis terbeschikkingstellen van de gezinswoning door
de appellant aan zijn toenmalige echtgenote, in uitvoering van de
beschikking van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg, is te
beschouwen als een onderhoudsuitkering in de zin van artikel 104, 1° WIB 92.
Hof van beroep te Gent
5e kamer
________
terechtzitting van 11-12-2007
BELASTINGEN
Tussenarrest
Ambtshalve heropening der debatten. Zaak in voortzetting gesteld om
11.3.2008 om 10u
Nr.2005/AR/1161
in de zaak van:
V. D., federale ambtenaar,
wonende te …,
appellant,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. A., advocaat te …
tegen:
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, vertegenwoordigd door de
Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te …, op vervolging
en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur der Directe Belastingen te
Gent, wiens kantoren gevestigd zijn te …,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. C., advocaat te …
spreekt het Hof het volgend arrest uit:
1.
Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Rechtbank van
Eerste Aanleg te Gent op 15.3.2002 bestreed de appellant de aanslag in de
personenbelasting en de aanvullende gemeentebelasting op zijn naam voor het
aanslagjaar 2000 (kohierartikel 711222577).
Zijn bezwaar tegen deze aanslag was bij beslissing van 17.12.2001 van de
ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur der directe belastingen
te Gent ongegrond verklaard.
Voor de eerste rechter vorderde de appellant dat de vermelde directoriale
beslissing zou worden tenietgedaan, zou gezegd worden voor recht dat hij de
helft van de huurwaarde van de gezinswoning als een aftrekbare
onderhoudsuitkering in de zin van artikel 104, 1° WIB/1992 ten belope van
80% van zijn belastbare inkomsten mag aftrekken, dat overeenkomstige
ontheffing zou worden verleend, dat de geïntimeerde zou worden veroordeeld
tot de terugbetaling van de ten onrechte betaalde belastingen, verhogingen
en nalatigheidsintresten meer de moratoriumintresten overeenkomstig artikel
418 WIB/1992 en de vervolgingskosten, en de geïntimeerde tot de kosten van
het geding zou worden veroordeeld.
Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, van
6.5.2004, werd deze vordering van de appellant ongegrond verklaard en werd
de appellant veroordeeld tot de kosten.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent
op 4.5.2005 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vermelde
vonnis.
Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellant er in
zou hebben berust.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
Met zijn hoger beroep streeft de appellant de vernietiging na van het
bestreden vonnis, en de toekenning van zijn oorspronkelijke vordering.
De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis en van de
directoriale beslissing.
2.
Hangende de echtscheidingsprocedure tussen de appellant en zijn gewezen
echtgenote besliste de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent
in zijn beschikking van 18.11.1998 tot onder meer volgende maatregelen in
toepassing van artikel 1280 Ger. W.:
“
Schorst de verplichting tot samenwonen en zegt dat de eiser (d.i. de
huidige appellant) afzonderlijk verblijf mag houden in het door hem
gehuurde appartement en de verweerster (d.i. de echtgenote van de
huidige appellant) te … .Legt de partijen verbod op vanaf heden elkaar op enigerlei wijze te
verontrusten, op gevaar af er te worden uitgedreven, desnoods met
tussenkomst van de openbare macht.…
Bepaalt dat B. hoofdverblijf heeft bij de verweerster en dat de
minderjarige aldaar zal ingeschreven worden in het gemeentelijk
bevolkingsregister, behoudens ……
Veroordeelt de eiser tot betaling aan de verweerster van een
maandelijkse onderhoudsbijdrage van 7.500 frank voor het kind en 15.000
frank voor haarzelf, …”
Bij arrest van 2.10.2000 van het Hof van Beroep te Gent, 15e kamer, werd
de vermelde beschikking bevestigd (in de mate waarin aangevochten) met deze
wijziging dat het basisbedrag van de persoonlijke alimentatie voor de
echtgenote wordt teruggebracht op 10.000 frank.
In de huidige fiscale betwisting wil de appellant doen aannemen dat de
gratis terbeschikkingstelling van de woning aan de echtgenote te beschouwen
is als een onderhoudsgeld in de zin van artikel 104, 1° WIB/1992, terwijl de
geïntimeerde van oordeel is dat dit niet het geval is.
Krachtens artikel 1280 Ger.W. kan de Voorzitter van de Rechtbank van
Eerste Aanleg voorlopige maatregelen bevelen die betrekking hebben op de
persoon, op het levensonderhoud en op de goederen van zowel de partijen als
van de kinderen. Hij beschikt hierbij over een ruime feitelijke
beoordelingsmacht (vergelijk met Cass. 31.1.1997, Pas. 1997, I, nr. 57 p.
155).
Het is mogelijk het gratis terbeschikkingstellen van een woning fiscaal
als een onderhoudsuitkering te beschouwen, uitgevoerd in natura (vergelijk
met COM.IB. nr. 104/54).
Hier dient te worden onderzocht wat de aard is van de maatregel
(onderhoudsuitkering of niet) waarbij aan de echtgenote het exclusief
bewoningsrecht van de gemeenschappelijke gezinswoning werd toegekend.
Volgens de geïntimeerde kan het vermeld bewoningsrecht geen
onderhoudsuitkering zijn daar de echtgenote die in de gezinswoning blijft op
ongewijzigde wijze het recht van genot en bewoning, waarover zij vóór de
feitelijke scheiding reeds beschikte ingevolge artikel 215 Burg.W., verder
tijdens de feitelijke scheiding uitoefent, terwijl de verlatende echtgenoot
geen recht van gebruik of genot meer heeft op de gezinswoning.
Artikel 215 § 1 Burg.W. (artikel 215 § 2 is hier niet toepasselijk nu er
geen huur is) kent geen onverdeeld gebruiksrecht toe aan de echtgenoten,
maar beoogt enkel de bescherming van de gezinswoning in een aantal gevallen
waarin een van de echtgenoten anders éénzijdig, zonder de andere echtgenoot,
over het lot van de gezinswoning zou kunnen beschikken via zijn
eigendomsrechten op het onroerend goed. Een onverdeeld gebruiksrecht wordt
in deze bepaling echter niet toegekend.
Wanneer zoals te dezen de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg
de samenwoningsplicht opschort, het afzonderlijk verblijf van de echtgenoten
toelaat, en vervolgens bepaalt waar elk van de echtgenoten afzonderlijk
verblijf zal houden, vind de exclusieve bewoning door de echtgenote van de
appellant haar oorsprong in deze beslissing en niet in een onverdeeld
gebruiksrecht dat haar oorsprong zou vinden in artikel 215 § 1 Burg.W.
In de beschikking van de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg
wordt de aard van de maatregel (onderhoudsuitkering of niet) niet expliciet
aangegeven. Er wordt wel overwogen met betrekking tot de persoonlijke
onderhoudsbijdrage dat rekening moet gehouden worden met “de behoeftigheid
van de onderhoudsgerechtigde partij” en met de vraag “of de
onderhoudsplichtige in staat is om een onderhoudsbijdrage te betalen”, en
dat de echtgenoten wederzijdse hulp verschuldigd zijn ook al zijn zij in een
echtscheidingsgeding betrokken. Een van de belangrijkste noden van de
echtgenote (zo niet de belangrijkste), zeker nu bovendien werd bepaald dat
de dochter B. haar hoofdverblijf bij de echtgenote had, was uiteraard de
huisvesting. Waar in dezelfde beschikking aan de echtgenote machtiging werd
verleend om afzonderlijk verblijf te houden in de gezinswoning, kan het niet
anders dan dat de Voorzitter met dit gegeven rekening heeft gehouden bij het
bepalen van de omvang van de onderhoudsuitkering in geld, en het verschaffen
van huisvesting aan de echtgenote en dochter door middel van de toewijzing
van de gezinswoning tot gevolg heeft gehad dat voor deze huisvesting in geen
geldelijke onderhoudsuitkering meer moest worden voorzien (zie ook in die
zin het arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 2.10.2000 - stuk 2 van de
appellant - rechtdoende over het hoger beroep tegen de beschikking van de
Voorzitter, waarin dit gegeven uitdrukkelijk wordt vermeld bij de bespreking
van de persoonlijke onderhoudsbijdrage voor de echtgenote). Dit alles in
acht genomen en rekening houdend met het feit dat ingevolge de beschikking
de appellant het onroerend goed waarin hij nochtans zelf gerechtigd was,
volledig en gratis ter beschikking heeft dienen te stellen van zijn
echtgenote, moet aangenomen worden dat deze terbeschikkingstelling een vorm
van onderhoudsuitkering in natura was.
Tevergeefs stelt de geïntimeerde dat de appellante niet verplicht was de
gezinswoning te verlaten. Het tegengestelde blijkt reeds uit verbod aan de
partijen opgelegd in de beschikking van de Voorzitter van de Rechtbank van
Eerste Aanleg om elkaar op enigerlei wijze in de hun toegewezen woonst te
verontrusten. De geïntimeerde heeft trouwens zelf kunnen vaststellen dat de
eiser sedert 30.11.1998 op een ander adres woonde (stuk 13 van de
geïntimeerde), zoals trouwens aangegeven door de appellant in zijn aangifte
in de personenbelasting. De feitelijke scheiding en de toepassing van de
beschikking staan vast.
De voorlopige verdeling van de schulden met betrekking tot de
gezinswoning zoals voorzien in de beschikking brengt geen nuttige informatie
met betrekking tot de thans aan de orde zijnde vraag.
De vraag of een woonstvergoeding aan de huwgemeenschap werd toegekend ter
gelegenheid van de vereffening-verdeling is hier zonder invloed. Naast het
feit dat in de akte vereffening-verdeling van 10.1.2006 (stuk 5 van de
appellant) uitdrukkelijk op p. 8 bepaald wordt dat de echtgenote geen
bewoningsvergoeding verschuldigd is, moet worden opgemerkt dat artikel 104,
1° WIB/1992 het al dan niet betalen van een woonstvergoeding niet als
voorwaarde stelt voor de aftrek bij dit artikel voorzien. Zoals bij de
vereffening-verdeling een woonstvergoeding kan moeten verrekend worden, kan
dit trouwens ook het geval zijn voor de in geld betaalde
onderhoudsuitkeringen, en dit mits dezelfde voorwaarden vervul zijn nl.
wanneer de onderhoudsuitkering kleiner is dan het deel van de
onderhoudsgerechtigde in de opbrengsten van de onverdeeldheid. Of een
woonstvergoeding verschuldigd was,, of onderhoudsgelden moesten verrekend
worde, kon normalerwijze nog niet geweten zijn op het ogenblik van de
onderhoudsuitkeringen.
Uit hetgeen voorafgaat moet worden afgeleid dat het gratis
terbeschikkingstellen van de gezinswoning door de appellant aan zijn
toenmalige echtgenote, in uitvoering van de beschikking van de Voorzitter
van de Rechtbank van Eerste Aanleg, te beschouwen is als een
onderhoudsuitkering in de zin van artikel 104, 1° WIB/1992 (toepassing van
artikel 213 Burg. W. en artikel 1280 Ger. W.).
3.
De appellant heeft de voor de aftrek in aanmerking te nemen huurwaarde
begroot op zeker 30.000 BEF (743,68 EUR) per maand, maar deze beperkt tot de
huurwaarde volgens de forfaitaire ramingsregels voorzien in artikel 18
KB-WIB/1992 (zie het bezwaarschrift, stuk 2/1 van de geïntimeerde). De
berekening door de appellant volgens deze regels gaf een huurwaarde van
263.257 BEF (6.525,97 EUR) (zelfde stuk), wat anno 1999 een maandelijkse
huurwaarde geeft van 263.257 BEF / 12 = 21.938 BEF (543,83 EUR).
De geïntimeerde betwist deze huurwaarde in fine van haar conclusie
neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 12.08.2005.
Er worden door de partijen weinig gegevens naar voren gebracht met
betrekking tot de woning. Eerder dan onmiddellijk een deskundig onderzoek te
bevelen om advies te verlenen nopens de huurwaarde (zie ook artikel 875bis
Ger.W.), dienen vooreerst in het belang van alle partijen de debatten te
worden heropend teneinde de appellant, en desgevallend de geïntimeerde, toe
te laten bijkomende stukken voor te leggen ter bepaling van de huurwaarde
anno 1999, onverminderd het recht van de partijen om onderling minnelijk
deze huurwaarde te bepalen.
OP DIE GRONDEN
HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen;
Ontvangt het hoger beroep;
Alvorens verder recht te doen, heropent ambtshalve te debatten
uitsluitend teneinde de partijen toe te laten te handelen zoals hoger
aangegeven;
Stelt de zaak te dien einde voor verdere behandeling op de zitting van
dinsdag 11 maart 2008 om 10 uur.
Houdt de beslissing over de kosten aan.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van
beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op ELF
DECEMBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN.
Aanwezig de Heren:
A. D.M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en D. V., Raadsheren,
M. V., griffier.