Taxvista >> News International Taxation News
Belgium

Ruling - Vennootschapsbelasting - Belastbare grondslag in de Ven.B. - Aftrek voor risicokapitaal

March 1st, 2008 by Push Service

700.444

Voorafgaande beslissing nr. 700.444 dd. 18.12.2007


  
Vennootschapsbelasting


  
Belastbare grondslag in de Ven.B.


  
Aftrek voor risicokapitaal

Samenvatting

Indien BVBA A dat wenst, kan zij geheel of gedeeltelijk verzaken aan de
aftrek voor risicokapitaal in de zin van artikel 205bis WIB 92. In dat geval
zal het niet opgeëiste deel van de aftrek voor risicokapitaal niet kunnen
worden overgedragen naar volgende jaren. Indien er voor een belastbaar
tijdperk geen of onvoldoende winst is, blijft artikel 205quinquies WIB 92
van toepassing op dat deel van de aftrek dat in ieder geval kon worden
overgedragen zonder de vrijwillige verzaking.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe te vernemen of de vennootschap BVBA A, van
toepassing vanaf 1 januari 2007, geheel of partieel kan verzaken aan de
aftrek voor risicokapitaal bij toepassing van artikel 205bis WIB 92.

II. Omschrijving van de verrichtingen

II.A. Beschrijving van de activiteit en de huidige
aandeelhoudersstructuur van de betrokken vennootschappen

2. De vennootschap B gevestigd in land M, heeft een dochteronderneming,
BVBA A, met fiscale residentie in België opgericht. Hiervan is B 100%
aandeelhouder. Beide vennootschappen behoren tot dezelfde groep.

3. BVBA A heeft twee zaakvoerders, waaronder één uit land M en één Belg
die zonder beperking van duur benoemd zijn. BVBA A is in het bezit van een
Belgische bankrekening en voert haar boekhouding volgens de Belgische
GAAP-regels. Zij is dus onderworpen aan de Belgische fiscale regels waardoor
zij verplicht is jaarlijks een Belgische aangifte in de
vennootschapsbelasting in te dienen. BVBA A geniet op dit moment van de
aftrek voor risicokapitaal.

4. BVBA A is opgericht met als hoofddoel het aanhouden van een
effectenportefeuille welke economisch ter dekking van de verplichtingen van
B dient. BVBA A bepaalt hierbij zelfstandig haar beleggingsbeleid. Daarnaast
koopt en verkoopt ze effecten en andere roerende waarden voor eigen
rekening. In het kader van bovenstaande verplichtingen is door BVBA A uit
voorzichtigheidsoverwegingen besloten haar volledig kapitaal te investeren
in een buitenlandse (weliswaar EU) staatsobligatie, met een vaste
couponrente per jaar.

5. BVBA A zal zich in de toekomst beperken tot bovengenoemde activiteiten
en is niet van plan om significante wijzigingen aan de aard van de
activiteiten aan te brengen.

6. Wat betreft het Belgisch boekhoudresultaat voor het boekjaar per 31
december 2006 kan gesteld worden dat dit hoofdzakelijk bestaat uit een
gerealiseerd verlies uit optieverrichtingen en uit rente verkregen op de
buitenlandse staatsobligatie. Het spreekt voor zich dat gebeurlijke latere
optieresultaten het boekhoudresultaat van BVBA A in latere boekjaren zullen
beïnvloeden.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting

7. Overeenkomstig de nieuwe fiscale wetgeving die in land M van kracht
is, worden voorwaarden opgelegd met het oog op toepassing van de
vrijstelling voor inkomsten uit zogenaamde passieve deelnemingen. Opdat een
vrijstelling verkregen kan worden moet er met name sprake zijn van 10 %
effectieve belasting in hoofde van de dochter op het resultaat van de
dochter, weliswaar bepaald op basis van fiscale maatstaven in land M. In het
voorliggend geval wordt mogelijks niet voldaan aan de voorwaarden van de
vrijstelling waardoor de mogelijke (herwaarderings)meerwaarden op BVBA
A-aandelen in land M dus belast zouden worden in hoofde van B.

8. Inderdaad, in casu zorgt de aftrek voor risicokapitaal er mogelijks
voor dat niet voldaan kan worden aan de gezegde vereiste van 10 % effectieve
belasting op het resultaat van BVBA A bepaald naar maatstaven in land M, dus
middels een regelgeving waarin geen rekening wordt gehouden met de aftrek
voor risicokapitaal.

9. Een manier om aan de 10% effectieve belastingtest tegemoet te komen,
kan gevonden worden in een partiële verzaking aan de aftrek voor
risicokapitaal.

10. BVBA A zal het verzaakte gedeelte van de aftrek voor risicokapitaal
niet overdragen naar een later belastingjaar.

III. Motivering van de aanvraag

11. Artikel 205bis WIB 92 luidt als volgt:

Bij de bepaling van het belastbaar inkomen wordt de belastbare basis
verminderd met het overeenkomstig artikel 205quater vastgesteld bedrag. Deze
vermindering wordt “aftrek voor risicokapitaal” genoemd.

12. Zoals hoger vermeld, wordt overwogen om geheel of partieel te
verzaken aan de aftrek voor risicokapitaal teneinde te voldoen aan de 10 %
effectieve belastingtest en zo de vrijstelling in land M te bekomen.

13. In dit verband kan verwezen worden naar de parlementaire vraag van de
heer Luc Gustin (V&A, Kamer 2006-2007, 51/COM 1278, vraag nr 15066 Gustin)
gesteld tijdens een zitting van de Parlementaire Commissie Financiën en
Begroting. Op de vraag of de minister kan bevestigen dat een onderneming die
behoort tot een internationale groep, in bepaalde gevallen ? wellicht doelt
de vraagsteller op niet-Belgische fiscale regels, bv. buitenlandse CFC of
andere regelgeving - het recht heeft om aan de volledige aftrek voor
risicokapitaal te verzaken, heeft de Minister te kennen gegeven dat dit niet
verboden is. De minister antwoordt dat ?wanneer een vennootschap tijdens een
aanslagjaar geen aanspraak maakt op de aftrek voor risicokapitaal, dit niet
naar een later belastingjaar kan worden overgedragen.?

14. Het samen lezen van vraag en antwoord suggereert dat niet alleen een
volledige, maar ook een partiële verzaking van de aftrek voor risicokapitaal
mogelijk is. Toonaangevende rechtsleer bestaat in dezelfde zin.

15. Een (volledige) aftrek voor risicokapitaal is dus een recht (maar
geen verplichting). Het komt dus aan de belastingplichtige toe om al dan
niet volledig, dan wel slechts ten dele of zelfs geheel niet van dit recht
gebruik te maken.

16. De belastingplichtige kan bovendien zijn keuze om al dan niet geheel
van dit recht gebruik te maken, kenbaar maken door de bijlage bij de
aangifte vennootschapsbelasting navenant in te vullen.

17. Artikel 205septies WIB 92 stelt dat ?om het voordeel van de aftrek
voor risicokapitaal te rechtvaardigen, de vennootschap bij haar aangifte in
de vennootschapsbelasting een opgave moet voegen waarvan het model door de
Minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld, voor het
aanslagjaar waarvoor de aftrek wordt genoten?.

18. Concreet dient de belastingplichtige het formulier 275 C ?Aftrek voor
risicokapitaal? in te vullen en bij de aangifte in de
vennootschapsbelasting, met name aangifteformulier 275.1 toe te voegen,
alvorens aanspraak te maken op de aftrek voor risicokapitaal.

19. Het formulier 275 C omvat onder andere twee vakken. Enerzijds vak E:
?Bedrag van de aftrek voor risicokapitaal dat voor het aanslagjaar in
principe
aftrekbaar is? en anderzijds vak F: ?Bedrag van de aftrek voor
risicokapitaal dat voor het aanslagjaar werkelijk wordt afgetrokken?.

20. De aanvrager is de mening toegedaan dat het formulier en meer bepaald
vak F wijst op de mogelijkheid om vrij het bedrag aan aftrek voor
risicokapitaal te bepalen zonder evenwel de maximum toegelaten aftrek voor
risicokapitaal waarop de belastingplichtige aanspraak kan maken, te
overschrijden.

21. Op basis van het bovenstaande kan aldus aangenomen worden dat BVBA A
geheel of partieel kan verzaken aan de aftrek voor risicokapitaal bij
toepassing van artikel 205 WIB 92.

IV. Beslissing

22. Op grond van artikel 205bis WIB 92 wordt bij de bepaling van het
belastbaar inkomen de belastbare basis verminderd met het overeenkomstig
artikel 205quater vastgesteld bedrag. Deze vermindering wordt ?aftrek voor
risicokapitaal genoemd?.

23. Artikel 205quinquies WIB 92 bepaalt dat indien er voor een belastbaar
tijdperk geen of onvoldoende winst is om de aftrek voor risicokapitaal te
kunnen in mindering brengen, de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende
vrijstelling achtereenvolgens wordt overgedragen op de winst van de zeven
volgende jaren.

24. De overdracht op de winst van de volgende jaren is beperkt tot het
geval waarin er voor een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst is om
de aftrek voor risicokapitaal te kunnen in mindering brengen.

25. In geval van vrijwillige verzaking aan de aftrek voor risicokapitaal,
blijkt uit het antwoord van de heer Minister van Financiën, naar aanleiding
van een parlementaire vraag (Mondelinge vragen nr. 15064, 15065 en 15066 van
de heer Gustin, dd. 17.04.2007, Beknopt Verslag, Kamercommissie Financiën,
Com 1278, blz. 17-18), dat het niet gebruikte deel van de aftrek voor
risicokapitaal niet kan worden overgedragen naar een later belastingjaar.

26. Indien er voor een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst is,
blijft artikel 205quinquies van toepassing op dat deel van de aftrek dat in
ieder geval kon worden overgedragen zonder de vrijwillige verzaking.

Gelet op wat voorafgaat wordt er beslist dat:

27. rekening houdend met het antwoord van de heer Minister van Financiën
op de hiervoor vermelde parlementaire vraag, BVBA A vanaf 1 januari 2007,
indien zij dat wenst, geheel of gedeeltelijk kan verzaken aan de aftrek voor
risicokapitaal in de zin van artikel 205bis WIB 92;

28. in dat geval zal het niet opgeëiste deel van de aftrek voor
risicokapitaal niet kunnen worden overgedragen naar volgende jaren. Indien
er voor een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst is, blijft artikel
205quinquies WIB 92 van toepassing op dat deel van de aftrek dat in ieder
geval kon worden overgedragen zonder de vrijwillige verzaking.

Ruling - Vennootschapsbelasting - Abnormaal of goedgunstig voordeel - Afstand van een schuldvordering

March 1st, 2008 by Push Service

700.443

Voorafgaande beslissing nr. 700.443 dd. 15.01.2008


  
Vennootschapsbelasting


  
Abnormaal of goedgunstig voordeel


  
Afstand van een schuldvordering

Samenvatting

De aanvraag strekt ertoe bevestiging te krijgen dat de afstanden van
schuldvordering die de buitenlandse vennootschappen A en B zullen doen, in
hoofde van de binnenlandse vennootschap X geen ontvangen abnormale of
goedgunstige voordelen uitmaken in de zin van de artikelen 79 en 207 van het
Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92).

Er werd beslist dat, op grond van de verstrekte gegevens, de economische
omstandigheden van het ogenblik, de respectieve situatie van de partijen en
de feitelijke elementen van de zaak, de voormelde artikelen 79 en 207,
tweede lid, WIB92 niet van toepassing zijn met betrekking tot de in de
aanvraag beschreven kwijtschelding van schulden door A en B ten voordele van
X. Deze beslissing is slechts geldig indien X effectief overgaat tot de
vereffening.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te krijgen dat de afstanden van
schuldvordering die de buitenlandse vennootschappen A en B zullen doen, in
hoofde van de binnenlandse vennootschap X geen ontvangen abnormale of
goedgunstige voordelen uitmaken in de zin van de artikelen 79 en 207 van het
Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92).

II. Omschrijving van de verrichtingen

II.A. Beschrijving van de activiteit en de huidige
aandeelhoudersstructuur van de betrokken vennootschappen

2. X maakt deel uit van een internationale groep.

3. Op heden oefent X geen activiteiten meer uit. De activiteiten werden
stopgezet en op dit ogenblik wordt de vrijwillige vereffening overwogen.
Naar aanleiding van deze vereffening zouden de twee belangrijkste
schuldeisers van X bereid zijn afstand te doen van hun schuldvorderingen.

4. De belangrijkste schuldeisers zijn de gelieerde buitenlandse
ondernemingen A en B.

5. De schuldvordering van A heeft betrekking op een lening (die
oorspronkelijk werd toegestaan door de buitenlandse groepsvennootschap Z,
maar die overgenomen werd door A). De schuldvordering van B heeft betrekking
op een cashpool.

6. De andere schuldeisers van X zijn niet-gelieerde ondernemingen. In het
kader van de in het vooruitzicht gestelde vrijwillige vereffening van X
wordt voorzien dat deze schuldvorderingen van andere schuldeisers volledig
zullen worden terugbetaald.

7. De vennootschap X had in het verleden te kampen met diverse problemen.
Zo bleek het management niet te beschikken over de nodige bekwaamheden
teneinde verschillende structurele problemen aan te pakken. Ze was tevens
onderbemand. Hierdoor geraakte de vennootschap X in een economische malaise.
Dit had een negatieve invloed op het engagement van de werknemers en
management in die periode werkzaam. De eenheidsprijzen van de grondstoffen
schoten in de loop der jaren ook de hoogte in.

8. Al deze ontwikkelingen, samen met een in het geheel genomen slechte
prestatie van de vestiging hadden een uitermate negatieve invloed op haar
financiële situatie.
9. De financiële en structurele situatie werd nochtans kort opgevolgd. Er
werden initiatieven genomen op diverse niveau?s.

10. De vestiging was verlieslatend, maar op een bepaald ogenblik kon het
verlies grotendeels worden teruggebracht.

11. Niettegenstaande de investeringen en verschillende herstelmaatregelen
geraakte de vennootschap X evenwel niet uit de impasse van de laatste jaren.

12. Daarnaast waren de financiële interventies van destijds vennootschap
Z en vennootschap B ook nodig teneinde X toe te laten de noodzakelijke
investeringen te doen, haar financiële verplichtingen tegenover haar
leveranciers en andere derde schuldeisers te honoreren en zo trachten uit de
rode cijfers te geraken en een faillissement te voorkomen.

13. Nadat bleek dat de vooruitzichten voor X niet gunstiger werden, werd
er besloten om de activiteiten van X stop te zetten.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting

14. De activa zullen deels verkocht worden aan niet-verbonden
ondernemingen en deels aan marktwaarde worden overgedragen aan andere
vestigingen van de groep, afhankelijk van de mogelijkheden en noodzaak
hiertoe. Tot op heden zijn reeds verschillende activa verkocht.

15. X zal haar schulden ten aanzien van derden-schuldeisers en
leveranciers kunnen betalen. De twee voornaamste schulden zullen echter niet
volledig kunnen worden betaald met de opbrengst van de verkochte activa. De
schuldvordering van vennootschap A en B zullen gedeeltelijk blijven
openstaan. Deze gelieerde vennootschappen zijn echter bereid, met het oog op
de vereffening van X, afstand te doen van het nog openstaand gedeelte van
hun schuldvorderingen teneinde een faillissement van X te vermijden en de
vrijwillige vereffening te kunnen sluiten.

III. Motivering van de aanvraag

16. Niettegenstaande alle inspanningen die in het verleden werden
geïnitialiseerd was X in de laatste boekjaren nog steeds verlieslatend.

17. X zette haar activiteiten stop en heeft een negatief eigen vermogen.

18. Op basis van de actuele cijfers is het duidelijk dat X zal evolueren
naar een vereffening. Er zullen in de hypothese van een vereffening niet
voldoende opbrengsten kunnen worden gegenereerd uit de verkoop van activa
teneinde alle schulden te voldoen.

19. De vordering van vennootschap A heeft betrekking op een geldlening
die oorspronkelijk is toegestaan aan de vennootschap door een gelieerde
vennootschap Z.
20. De vordering van vennootschap B heeft betrekking op een cashpool en werd
beheerd door vennootschap B. De overeenkomst geldt voor het merendeel van de
Europese groepsondernemingen en hield de aanstelling in van B als cash pool
leader. De lening en de cashpoolovereenkomst zijn financiële hulpmiddelen
geweest van de gelieerde vennootschappen om X toe te laten het hoofd te
bieden aan de structurele problemen en de verliessituatie te herstellen.

21. De aanvrager wil benadrukken dat het oprichten van een cashpool
binnen een multinationale groep van ondernemingen een veel voorkomende
praktijk is. Een dergelijke cashpool laat doorgaans toe aanzienlijke
kostenbesparingen te realiseren voor de groep door de financiële uitgaven te
drukken en de financiële inkomsten te verhogen.

22. Deze cashpool heeft X toegelaten haar verplichtingen ten aanzien van
leveranciers en derden-schuldeisers te voldoen zodat een faillissement in
haren hoofde vermeden werd en wordt.

23. Ondanks deze door de gelieerde vennootschappen verstrekte financiële
middelen is X om verschillende redenen niet uit haar bestaande
verliessituatie kunnen geraken en is een structureel verlies opgebouwd dat
geleid heeft tot een aanzienlijk negatief eigen vermogen van de
vennootschap.

24. Uit het overzicht van activa en nog te vereffenen schulden blijkt
duidelijk dat de slechte financiële situatie waarin X zat, ondanks diverse
inspanningen van X zelf en de financiële steun verschaft door de gelieerde
vennootschappen, niet kon worden verbeterd.

25. De gelieerde ondernemingen wilden te allen tijde vermijden dat X haar
verplichtingen ten aanzien van haar leveranciers en andere derde
schuldeisers niet zou kunnen nakomen. Zij wilden en willen ook vermijden dat
X failliet zou gaan vermits zij zich niet kunnen veroorloven dat één van de
met hen verbonden ondernemingen in een faillissement verwikkeld wordt.

26. X heeft het voornemen tot een vrijwillige vereffening over te gaan.

27. De afstanden van schuldvordering in het voorliggende geval kunnen
niet beschouwd worden als een voordeel in de zin van artikel 79 in samenhang
met artikel 207 WIB 92.

28. De afstanden van schuldvordering hebben immers geen daadwerkelijke
?verrijking? van X tot gevolg. Hoewel de afstanden inkomsten genereren in
hoofde van X, betreffen de afstanden enkel dat deel van de schuldvordering
van respectievelijk A en B op X dat deze laatste niet in staat is na te
komen. De positie van X blijft dan ook eigenlijk gelijk met of zonder de
afstanden van schuldvordering, vermits deze laatste X niet in staat stellen
andere schuldeisers een groter bedrag uit te keren.

29. Uit het voorgaande kan worden besloten dat X geen verrijking zal
genieten als gevolg van de afstanden van schuldvordering. Vanuit economisch
oogpunt zal de schuldverzaking immers hoe dan ook nooit bijdragen tot de
winst die in de toekomst door X wordt gerealiseerd (vermits deze laatste zo
snel mogelijk vereffend zal worden).

30. Vermits de schuldverzaking niet kan beschouwd worden als een
verrijking, is het dan ook niet relevant na te gaan of de criteria voor het
bepalen van het abnormaal of goedgunstig karakter in voorliggend geval
toepassing vinden. Indien de DVB evenwel een andere mening toegedaan zou
zijn, meent de aanvrager voldoende te kunnen aantonen dat de afstanden van
schuldvordering noch abnormaal noch goedgunstig zijn.

31. Bij de evaluatie van de geplande intragroepstransactie dient rekening
gehouden te worden met het globaal evenwicht dat in feite uit het geheel van
de commerciële en financiële betrekkingen binnen de groep voortvloeit.

32. In de Belgische rechtspraak werd reeds aanvaard dat een
moedermaatschappij er belang bij kan hebben om door het dragen van
bijzondere lasten of door het afzien van onmiddellijke winsten, haar
dochtermaatschappijen door de moeilijkheden heen te helpen.

33. In casu hebben A en B wel degelijk belang bij de kwijtschelding van
hun schuldvorderingen ten aanzien van X omwille van de hieronder
uiteengezette motieven:

Een faillissement van X zal een negatieve uitstraling hebben op de andere
groepsvennootschappen, zowel in België als in het buitenland;

X en A zijn verbonden ondernemingen;

X en B zijn tevens verbonden ondernemingen.

34. De schuldvorderingen van A en B werden toegekend ter financiering van
de opgestapelde verliezen van X en ter vermijding van een faillissement.

35. De aanvrager is er dan ook van overtuigd dat de kwijtscheldingen door
A en B te verantwoorden zijn in het kader van de geldende economische en
feitelijke omstandigheden binnen dewelke deze kwijtscheldingen gebeuren, met
name met het oog op een vrijwillige vereffening en ter vermijding van het
faillissement van X.

IV. Beslissing

36. Het betreft hier geen voorwaardelijke kwijtschelding, met name er is
geen clausule van terugkeer tot betere toestand, daar de geplande
kwijtschelding kadert in het vooruitzicht van de vereffening van X.

37. De voormelde artikelen 79 en 207, tweede lid, WIB 92 houden in dat de
beroepsverliezen niet kunnen worden afgetrokken van het gedeelte van het
resultaat dat voortkomt uit abnormale en goedgunstige voordelen die een
binnenlandse vennootschap, in welke vorm of door welk middel ook,
rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen uit een onderneming ten
aanzien waarvan zij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van
wederzijdse afhankelijkheid bevindt.

38. Er moet bijgevolg worden nagegaan of de definitieve kwijtschelding
van de schuldvordering door A en B in het kader van de vrijwillige
vereffening van X moet worden beschouwd als een abnormaal of goedgunstig
voordeel.

39. Aan de grondslag van het begrip ?voordeel? ligt enerzijds een
verrijking van de verkrijger en anderzijds, wat de verstrekker van het
voordeel betreft, geen effectieve vergoeding evenwaardig aan het verstrekte
voordeel. De afstanden van schuldvordering dienen derhalve als een voordeel
in de zin van de artikelen 79 en 207 WIB 92, te worden beschouwd.

40. Voor het beoordelen van het al dan niet abnormale of goedgunstige
karakter dienen de economische omstandigheden van het ogenblik, de
respectieve situatie van de partijen en de feitelijke elementen van de zaak
in overweging genomen te worden.

41. In bepaalde specifieke omstandigheden is het voor verbonden
ondernemingen bedrijfseconomisch aanvaardbaar om hulp te bieden aan
ondernemingen van de groep in moeilijkheden, inzonderheid de hulp die wordt
verleend om het eigen commercieel en financieel aanzien hoog te houden.

42. A, B en X bevinden zich in een band van wederzijdse afhankelijkheid
in de zin van het voormeld artikel 207, tweede lid, WIB92.

43. X heeft de afgelopen jaren grote verliezen geleden ondanks meerdere
inspanningen om de vennootschap rendabel te maken. Deze inspanningen hebben
evenwel niet de gewenste resultaten opgeleverd. X zag zich derhalve
genoodzaakt haar activiteiten stop te zetten.

44. Uit voorlopige cijfers met betrekking tot de opbrengst van de
verkochte activa blijkt dat de schulden ten aanzien van derden schuldeisers
in het kader van de in het vooruitzicht gestelde vrijwillige vereffening
volledig zullen worden terugbetaald. Na een proportionele toerekening van
het resterende bedrag zal nog een gedeelte van de schuldvordering onbetaald
blijven van A en B, vermeerderd met de nog lopende maandelijkse interesten
tot datum van definitieve vereffening.

45. De afstand van schuldvordering zal gebeuren in het kader van een
vrijwillige vereffening van X en heeft niet als doel op zich de recuperatie
van voorheen gemaakte verliezen, maar wel het behoeden van de betrokken
vennootschap X voor een faillissement. Het faillissement van X zou een
negatieve uitstraling hebben op de andere groepsvennootschappen, zowel in
België als in het buitenland. Deze groepsvennootschappen hebben namelijk
allemaal een verwijzing in hun naam naar de groep, zodat dit faillissement
een negatieve invloed zou hebben op het commercieel en financieel aanzien,
de kredietwaardigheid en het omzetcijfer van deze groepsvennootschappen.

Gelet op wat voorafgaat beslist het College van de DVB dat:

46. de artikelen 79 en 207, tweede lid, WIB 92 geen toepassing vinden wat
betreft de hiervoor beschreven afstanden van schuldvordering door de
verbonden groepsvennootschappen A en B ten voordele van X.

47. Deze beslissing is geldig op voorwaarde dat X effectief overgaat tot
de vereffening.

48. Tenslotte wordt opgemerkt dat de beslissing geen uitspaak inhoudt
omtrent het bedrag zelf aan fiscaal overdraagbare verliezen ten name van X.

Ruling - Vennootschapsbelasting - Fusie van vennootschappen - Belastingneutrale fusie

March 1st, 2008 by Push Service

700.422

Voorafgaande beslissing nr. 700.422 dd. 15.01.2008


  
Vennootschapsbelasting


  
Fusie van vennootschappen


  
Belastingneutrale fusie

Samenvatting

De fusies door overneming van de NV A, de NV B en de NV C door de NV D
beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften
overeenkomstig artikel 211, §1, tweede lid, 3°, WIB 92. Door de fusies
zullen gelijkaardige activiteiten van de NV A, de NV B, de NV C en de NV D
worden ondergebracht in één juridische entiteit.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe te vernemen of de voorgenomen fusies door
overneming van de NV A, de NV B en de NV C door de NV D beantwoorden aan
rechtmatige financiële of economische behoeften zoals bepaald in artikel
211, §1, tweede lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB
92).

II. Beslissing

2. De voorgenomen fusies door overneming beantwoorden aan rechtmatige
financiële of economische behoeften in de zin van artikel 211, §1, tweede
lid, 3°, WIB 92 gelet op de volgende overwegingen:

2.1. De NV A, de NV B, de NV C en de NV D zijn allen
vastgoedvennootschappen d.w.z. vennootschappen waarvan de activiteit bestaat
uit de aan- en verkoop, de ontwikkeling en/of de verhuur van onroerend
goederen. Deze vier vennootschappen hebben dezelfde hoofdaandeelhouder, met
name de Comm. VA E. De leiding en het bestuur van deze vennootschappen wordt
waargenomen door dezelfde persoon, met name de heer X;

2.2. De huidige spreiding van de onroerende goederen in verschillende
vennootschappen is het gevolg van een strategische beslissing die in het
verleden werd genomen door de heer X;

2.3. De voorgenomen fusies door overneming van de NV A, de NV B, de NV C
door de NV D strekken ertoe de onroerende goederen van de verschillende
dochtervennootschappen van de Comm. VA E te centraliseren bij de NV D. De
aanvrager heeft bevestigd dat de overige twee dochtervennootschappen van de
Comm. VA E, met name de BVBA F en de BVBA G, in de nabije toekomst zullen
worden vereffend. De voormelde reorganisatie zal ertoe leiden dat de
gelijkaardige activiteiten van de verschillende groepsvennootschappen op een
meer efficiënte en transparante wijze zullen kunnen worden uitgeoefend;

2.4. De voorgenomen reorganisatie zal toelaten om in de toekomst
eventueel nieuwe vastgoedprojecten te realiseren. De fusievennootschap zal
over een grotere financiële draagkracht en een grotere kredietwaardigheid
beschikken.

Ruling - Personenbelasting - Meerwaarde - Immaterieel vast activum - Materieel vast activum - Stopzettingsmeerwaarde - Afzonderlijk belastbaar inkomen - Aanslagvoet van 16,5%

March 1st, 2008 by Push Service

700.309

Voorafgaande beslissing nr. 700.309 dd. 18.09.2007


  
Personenbelasting


  
Meerwaarde


  
Immaterieel vast activum


  
Materieel vast activum


  
Stopzettingsmeerwaarde


  
Afzonderlijk belastbaar inkomen


  
Aanslagvoet van 16,5%

Samenvatting

De aanvraag strekt ertoe te vernemen welke de fiscale behandeling is van
stopzettingsmeerwaarden.

Door het College van de DVB werd beslist dat stopzettingsmeerwaarden op
immateriële vaste activa overeenkomstig de bepalingen van artikel 171, 4°,
b), WIB 92 ten name van X afzonderlijk belastbaar zijn tegen een aanslagvoet
van 16,5 % voor zover zij niet meer bedragen dan de belastbare nettowinst of
?baten die in de vier jaren voorafgaand aan het jaar van de stopzetting uit
de niet meer uitgeoefende werkzaamheid zijn verkregen.
Stopzettingsmeerwaarden op materiële vaste activa zijn overeenkomstig de
bepalingen van artikel 171, 4°, a), WIB 92 ten name van X afzonderlijk
belastbaar tegen een aanslagvoet van 16,5 %.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe te vernemen welke de fiscale behandeling is
van de stopzettingsmeerwaarden die zullen gerealiseerd worden door X.

II. Omschrijving van de verrichting

2. X is apotheker en Y is medewerkende echtgenoot. X betaalt sociale
bijdragen als zelfstandige. De belastbare inkomsten werden steeds aangegeven
op naam van X.

3. X is 61 jaar is geworden en overweegt zijn beroepsactiviteit als
apotheker te beëindigen en zijn apotheek te verkopen. Y is 59 jaar.

4. Naar aanleiding van die stopzetting zullen meerwaarden worden
gerealiseerd.

III. Beslissing

5. X is 61 jaar en zal zijn activiteiten als apotheker definitief
stopzetten. Y, de vrouw van X, is 59 jaar en medewerkende echtgenote.

6. Overeenkomstig artikel 28, 1ste lid, 1°, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) zijn inkomsten die worden verkregen of
vastgesteld uit hoofde of naar aanleiding van de volledige en definitieve
stopzetting van de onderneming of van de uitoefening van een vrij beroep,
ambt, post of winstgevende bezigheid en voortkomen uit meerwaarden op activa
die voor de beroepswerkzaamheid zijn gebruikt, winst en baten van een vorige
beroepswerkzaamheid die de verkrijger of de persoon van wie hij de
rechtverkrijgende is voorheen heeft uitgeoefend.

7. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 171, 1°, c), 1ste lid, WIB 92
zijn onverminderd de toepassing van artikel 171, 4°, b), WIB 92
stopzettingsmeerwaarden op immateriële vaste activa als vermeld in artikel
28, 1ste lid, 1°, WIB 92 en de in de artikelen 25, 6°, a, en 27, 2de lid,
4°, a, WIB 92 vermelde vergoedingen verkregen als compensatie van een
vermindering van de werkzaamheid, afzonderlijk belastbaar tegen een
aanslagvoet van 33 % in zover zij niet meer bedragen dan de belastbare
nettowinst of ?baten die in de vier jaren voorafgaand aan het jaar van de
stopzetting of de vermindering van de werkzaamheid uit de niet meer
uitgeoefende werkzaamheid zijn verkregen.

8. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 171, 4°, b), 1ste lid, WIB 92
zijn de in artikel 171, 1°, c), WIB 92 vermelde stopzettingsmeerwaarden die
worden verkregen of vastgesteld naar aanleiding van de stopzetting van de
werkzaamheid vanaf de leeftijd van 60 jaar of ingevolge het overlijden of
naar aanleiding van een gedwongen definitieve stopzetting en de in artikel
171, 1°, c), WIB 92 vermelde vergoedingen die worden verkregen naar
aanleiding van een handeling verricht vanaf dezelfde leeftijd of ingevolge
het overlijden of naar aanleiding van een gedwongen handeling, afzonderlijk
belastbaar tegen een aanslagvoet van 16,5 %.

9. De aanslagvoet van 16,5 % is van toepassing op de meerwaarden op
immateriële vaste activa, in zover zij niet meer bedragen dan de belastbare
nettowinst of ?baten die in de vier jaren voorafgaand aan het jaar van
stopzetting zijn verkregen, die worden verkregen of vastgesteld naar
aanleiding van de definitieve stopzetting van de beroepswerkzaamheid voor
zover die stopzetting ten vroegste heeft plaatsgehad op de dag dat de
belastingplichtige 60 jaar is geworden. Hierbij speelt enkel de leeftijd van
de belastingplichtige zelf een rol. De leeftijd van de meewerkende
echtgenoot is hierbij niet van belang (nr. 171/197 van de administratieve
commentaar op voormeld Wetboek ? Com.IB 92)

10. Het gedeelte van de meerwaarde op immateriële vaste activa dat meer
bedraagt dan de belastbare nettowinst of ?baten die in de vier jaren
voorafgaand aan het jaar van stopzetting zijn verkregen, is belastbaar tegen
het gewone (progressieve) tarief.

11. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 171, 4°, a), 1ste lid, WIB
92 zijn verwezenlijkte meerwaarden op materiële of financiële vaste activa
die op het ogenblik van hun vervreemding sedert meer dan vijf jaar voor het
uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt en waarvoor niet voor
de in artikel 47 WIB 92 vermelde gespreide belasting is geopteerd, en op
andere aandelen die sedert meer dan 5 jaar zijn verworven, afzonderlijk
belastbaar tegen een aanslagvoet van 16,5 %.

12. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 171, 4°, a), 2de lid, WIB 92
is de in artikel 171, 4°, a), 1ste lid, WIB 92 gestelde voorwaarde van de
vijfjarige belegging niet vereist wanneer de meerwaarden worden
verwezenlijkt naar aanleiding van de volledige en definitieve stopzetting
van de beroepswerkzaamheid of van één van de takken daarvan.

13. De verwezenlijkte stopzettingsmeerwaarden op materiële vaste activa
komen ongeacht de duur van de aanwending van de activa voor het uitoefenen
van de beroepswerkzaamheid in aanmerking voor afzonderlijke belasting tegen
een aanslagvoet van 16,5 %.

14. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 86, 1ste lid, WIB 92 mag
wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd ten laste van twee
echtgenoten, een deel van de winst of de baten van de activiteit van een van
hen, als meewerkinkomen worden toegekend aan de niet in artikel 33,
eerste lid
, WIB 92 bedoelde echtgenoot die de andere echtgenoot in het
uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid werkelijk helpt, voorzover de
meewerkende echtgenoot uit hoofde van een afzonderlijke werkzaamheid tijdens
het belastbare tijdperk zelf niet meer dan 11.320 EUR (basisbedrag 8.700 EUR)
aan beroepsinkomsten heeft verkregen.

15. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 89, 1ste lid, WIB 92 worden
voor het toekennen en het toerekenen van een deel van de beroepsinkomsten
aan de echtgenoot, de beroepsinkomsten die afzonderlijk worden belast buiten
beschouwing gelaten.

16. De bovenvermelde stopzettingsmeerwaarden op immateriële en materiële
vaste activa zijn enkel belastbaar ten name van de belastingplichtige die de
beroepsactiviteit heeft uitgeoefend (X) en mogen niet worden uitgesplitst
over X en Y.

Ruling - Vennootschapsbelasting - Beroepskosten - Interest - Abnormaal of goedgunstig voordeel - Aandeel - Waardering van aandelen - Kapitaal - Gestort kapitaal

March 1st, 2008 by Push Service

700.305

Voorafgaande beslissing nr. 700.305 dd. 25.09.2007


  
Vennootschapsbelasting


  
Beroepskosten


  
Interest


  
Abnormaal of goedgunstig voordeel


  
Aandeel


  
Waardering van aandelen


  
Kapitaal


  
Gestort kapitaal

Samenvatting

De aanvraag om voorafgaande beslissing strekt ertoe de bevestiging te
krijgen dat (i) de gehanteerde intrestvoeten als marktconform kunnen worden
beschouwd en er geen sprake kan zijn van verleende of ontvangen abnormale of
goedgunstige voordelen, zoals bedoeld in de artikels 26, 79 en 207 WIB 92,
en dat in hoofde van de toekennende Belgische vennootschappen aan de
voorwaarden van de artikels 49, 52 en 55 WIB 92 voldaan is, alsook dat (ii)
de waardes van de aandelen naar aanleiding van de voorgenomen inbrengen als
marktconform kunnen worden beschouwd en er dus geen sprake is van de
toepassing van de artikels 24, 25, 26, 79 en 207 WIB 92 in hoofde van de
inbrengende en inbrenggenietende vennootschappen, en de inbreng aanleiding
zal geven tot de creatie van werkelijk gestort fiscaal kapitaal conform
artikel 184 WIB 92.

I. Voorwerp van de aanvraag

De aanvraag om voorafgaande beslissing strekt ertoe de bevestiging te
krijgen dat:

1. wat betreft de fiscale behandeling van de interestenstroom van en naar
het intragroeps-financieringsvehikel, de Belgische nv X, de gehanteerde
interestvoeten als marktconform kunnen worden beschouwd en er dus in hoofde
van de toekennende Belgische ondernemingen geen toepassing kan zijn van
artikel 26 WIB 92 en aan alle voorwaarden van de artikels 49, 52 en 55 WIB
92 voldaan is, en er in hoofde van de ontvangende en de toekennende
Belgische vennootschappen geen toepassing kan zijn van de artikels 26, 79 en
207 WIB 92;

2. de gehanteerde waardes naar aanleiding van de voorgenomen inbrengen
als marktconform kunnen worden beschouwd en er dus bij de betrokken
vennootschappen geen sprake kan zijn van de toepassing van de artikels 24,
25, 79, 207 WIB 92 en het gecreëerde kapitaal wordt beschouwd als werkelijk
fiscaal gestort kapitaal zoals bepaald in artikel 184 WIB 92.

II. Omschrijving van de verrichtingen

II.A. Beschrijving van de activiteiten van de groep

3. De groep is actief in de sector van de dienstverlening. Inspelend op
klantenvragen en marktomstandigheden groeide de groep uit tot een
volwaardige dienstverlener.

II.B. Beschrijving van de activiteiten van X

4. De nv X fungeert als het interne financieringsvehikel ten aanzien van
verschillende groepsvennootschappen. De volgende activiteiten worden
ontplooid:

  • verstrekken van korte en lange termijnfinanciering aan
    groepsvennootschappen;
  • bemiddeling en adviseren in het verkrijgen van externe financiering
    ten behoeve van groepsvennootschappen;
  • het dagelijks cash-beheer van de verschillende groepsvennootschappen
    alsmede advisering en ondersteuning van de locale cash managers;
  • verlenen van garantiestelling;
  • dekken van risico?s voortspruitend uit de schommelingen van
    wisselkoersen;
  • het adviseren en ondersteunen van de groepsvennootschappen in hun
    relaties met banken in de meest ruime zin;
  • het onderhouden van contacten met functionarissen binnen de groep
    ten behoeve van de financiële besturing van de groep.

5. De groep hanteert momenteel het beleid dat op intragroepsleningen een
opslag boven EURIBOR wordt toegepast en waarbij de toe te passen intrestvoet
wordt vastgesteld op basis van volgende formule:

INT= IBR + basismarge + kost component +
commitment fee + service marge

Waarbij:

INT= de toe te passen interestvoet
IBR = ?interbanking rate? met name EURIBOR van toepassing over de
looptijd van de lening wat betreft korte termijnleningen en IRS (Interest
Rate Swap) van toepassing over de looptijd van de lening wat betreft lange
termijnleningen
Basismarge = (huidige marge betaald door de groep + verwachte marge
indien herfinanciering)/2
Kost component = dit betreft de herfinancieringskosten van voor de
groep beschikbare ?senior debt facilities? afgeschreven over de
overeengekomen looptijd gedeeld door het uitstaande bedrag aan uitstaande
intragroepsleningen
Commitment fee = fee voor het aanhouden van leencapaciteit
Service marge = gebudgetteerde kosten van het department, verhoogd
met x % toeslag, gedeeld door het totale bedrag van de leningsfaciliteiten.

6. Vanwege het feit dat de nv X een Belgische vennootschap is, worden
alle transacties en operaties vanuit België uitgevoerd en ligt alle
beslissingsmacht terzake in België. De groep geeft er bijgevolg de voorkeur
aan om de aandelen van voornoemde vennootschap ook in grote mate te laten
aanhouden door de grootste Belgische operationele vennootschap.

II.C. Beschrijving van de voorgenomen verrichtingen

7. De groep is zinnens om de structuur te wijzigen. De nieuwe structuur
is er op gericht om de Belgische nv Y te laten optreden als
houdstervennootschap.

III. Motivering van de aanvraag

III.A. Vergoedingspolitiek

III.A.1. Toepassing artikels 26, 49, 52 en 55 WIB 92

8. Met deze aanvraag wenst de aanvrager een voorafgaande beslissing te
verkrijgen omtrent het feit dat de interestvoeten, die gehanteerd worden op
de intragroepsschulden, die bestaan met het Belgische financieringsvehikel,
voldoen aan marktconforme voorwaarden en dat aldus artikel 26 WIB 92 in
hoofde van de Belgische toekennende vennootschappen niet van toepassing is
en dat aan alle voorwaarden van de artikels 49, 52 en 55 WIB 92 voldaan is
en aldus de toegekende interesten als beroepskosten zullen kwalificeren in
hoofde van de Belgische toekennende vennootschappen.

9. Voornoemde artikels kunnen ertoe leiden dat, indien geen marktconforme
interesten worden toegekend, die een beroepskarakter hebben, deze interesten
in hoofde van de toekennende vennootschap als (gedeeltelijk) verworpen
uitgaven worden beschouwd.

10. In casu zullen interesten worden betaald in het kader van leningen
aangegaan ter financiering van ofwel het verwerven van vaste activa of ter
financiering van de dagelijkse operationele beroepshandelingen.

11. Artikel 26 WIB 92 stelt dat wanneer een in België gevestigde
onderneming abnormale of goedgunstige voordelen verleent, die voordelen,
onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 54 WIB 92, bij haar eigen winst
worden gevoegd, tenzij die voordelen in aanmerking komen voor het bepalen
van de belastbare inkomsten van de verkrijger. Op basis van voorgaand
artikel kunnen interesten (gedeeltelijk) aan de belastbare winst van de
Belgische toekennende vennootschap worden toegevoegd indien deze een
marktconforme rentevoet overstijgen.

12. Artikel 49 WIB 92 stelt dat als kosten aftrekbaar zijn de kosten die
de belastingplichtige in het belastbaar tijdperk heeft gedaan of gedragen om
de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de
echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken. De kosten
dienen aldus hun oorzaak te vinden in omstandigheden die eigen zijn aan de
door de vennootschap geëxploiteerde onderneming en die kunnen bijdragen tot
het verwezenlijken van belastbare inkomsten. In casu worden financieringen
toegestaan ter verwerving van vaste activa en/of ter financiering van de
dagelijkse uitoefening van de beroepsactiviteit. Aan de voorwaarden van
artikel 49 WIB 92 is aldus voldaan.

13. Bovendien stelt artikel 52 WIB 92 dat inzonderheid als beroepskosten
dienen te worden aangemerkt de interesten van aan derden ontleende en in de
onderneming gebruikte kapitalen alsmede alle lasten, renten en soortgelijke
uitkeringen betreffende die onderneming.

14. Artikel 55 WIB 92 stelt dat interesten van obligaties, leningen,
schulden, deposito?s en andere effecten ter vertegenwoordiging van leningen
slechts als beroepskosten worden aangemerkt in zover zij niet hoger zijn dan
een bedrag dat overeenstemt met de overeenkomstig de marktrente geldende
rentevoet rekening houdend met de bijzondere gegevens eigen aan de
beoordeling van aan de verrichting verbonden risico?s en inzonderheid met de
financiële toestand van de schuldenaar en met de looptijd van de lening. Dit
artikel stelt dus dat opdat een toegekende interest aftrekbaar zou zijn de
interest markconform dient te zijn. In dit verband werd een analyse
doorgevoerd door een extern kantoor.

III.A.2. Verrekenprijsbeleid voor intragroepsleningen

15. De groep heeft haar verrekenprijsbeleid voor intragroepsleningen
gebaseerd op het feit dat het ?treasury center? zowel ?cost center? als
?profit center? kenmerken heeft.

16. De vergoeding voor de financieringsactiviteiten en meer bepaald de
opslag boven EURIBOR of IRS zal bestaan uit de volgende componenten:

16.1. Het gemiddelde van (i) het aantal basispunten dat de groep als
geheel dient te betalen bovenop EURIBOR op haar bestaande ?senior debt?
faciliteiten en (ii) hetgeen naar verwachting zou moeten worden betaald als
deze faciliteit opnieuw zou moeten worden onderhandelend en afgesloten.

16.2. Een kost component (afschrijving over de looptijd) voor het opnieuw
afsluiten/onderhandelen van een ?senior debt? faciliteit.

16.3. De committent fee welke verschuldigd is voor het aanhouden van
leencapaciteit voor de werkmaatschappijen van de groep.

16.4. Een marge voor de kosten van het ?treasury center?, vastgesteld op
basis van de momenteel uitstaande leningen en de gebudgetteerde kosten.

17. Bovenstaande variabelen zullen per kwartaal worden berekend en worden
toegepast op in het kwartaal daarna te verstrekken leningen.

18. De aanvrager is van mening dat, indien bovenstaande opslag wordt
gehanteerd voor de rentevoeten betaald door de Belgische vennootschappen,
deze rentevoeten dienen te kwalificeren als aftrekbare beroepskosten. De
vooropgestelde inbrengen van aandelen hebben op deze stelling geen invloed.

III.A.3. Toepassing artikels 79 en 207 WIB 92

19. Artikel 79 WIB 92 stelt dat beroepsverliezen niet worden afgetrokken
van het gedeelte van de winst of de baten dat voortkomt uit abnormale of
goedgunstige voordelen die de belastingplichtige, in welke vorm of door welk
middel ook, rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen uit een
onderneming ten aanzien waarvan hij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in
enige band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt.

20. Artikel 207 WIB 92 maakt artikel 79 WIB 92 van toepassing in de
vennootschapsbelasting en breidt het uit tot de DBI-aftrek en
investeringsaftrek. Tevens wordt door de wet van 22 juni 2005 een
aftrekverbod opgelegd voor wat betreft de notionele interestaftrek van
verkregen abnormale of goedgunstige voordelen.

21. Met deze aanvraag wenst de aanvrager een voorafgaande beslissing te
verkrijgen omtrent het feit dat de interestvoeten gehanteerd op de
intragroepsleningen voldoen aan marktconforme voorwaarden en dat aldus de
artikels 79 en 207 WIB 92 in hoofde van de Belgische verkrijgende en
toekennende vennootschappen niet van toepassing zijn.

22. De aanvrager is van mening dat de vooropgestelde interestvoeten als
marktconforme interestvoeten kunnen worden beschouwd. Bijgevolg kunnen de
artikels 79 en 207 WIB 92 in casu geen toepassing vinden. De vooropgestelde
inbrengen van aandelen hebben op deze stelling geen invloed.

III.B. Inbrengwaarde

III.B.1. Algemeen

23. Zoals vermeld, worden in de nv Y aandelen ingebracht aan marktwaarde.
Met deze aanvraag wenst de aanvrager een voorafgaande beslissing te
verkrijgen omtrent het feit dat de gehanteerde waardes als marktconform
kunnen worden beschouwd en dat er dus geen sprake kan zijn van de toepassing
van de artikels 26 en 207 WIB 92, en 24 en 25 WIB 92 en dat het aldus
gestorte kapitaal zoals vermeld in de notariële akte zal kwalificeren als
werkelijk gestort fiscaal kapitaal, zoals bepaald in artikel 184 WIB 92.

24. De betrokken aandelen werden gewaardeerd op basis van de ?Discounted
Cash Flow?-methode. Deze methode werd verkozen omdat ze ?t best de waarde
van de toekomstige groei weergeeft.

25. Alle onderliggende assumpties en weerhouden feiten, alsook de staving
ervan, zijn weergegeven in het waarderingsrapport dat als bijlage bij de
aanvraag werd gevoegd.

26. In het algemeen kan gesteld worden dat de marktwaarde van aandelen
gelijk is aan de prijs die een onafhankelijke derde voor de aandelen zou
betaald hebben op hetzelfde tijdstip en onder dezelfde omstandigheden (Rb.
Antwerpen 25 oktober 2002, Fisc. Koerier, 2003, p. 250). Hierbij moet er
rekening worden gehouden met de concrete omstandigheden die verschillend
kunnen zijn van geval tot geval. Zo kan rekening gehouden worden met het
feit dat het om een minderheidsparticipatie gaat, met de markt waarin de
vennootschap actief is en zelfs met de evolutie van de financiële gezondheid
van de vennootschap in de daaropvolgende jaren (Brussel, 3 november 2000,
F.J.F., nr. 2001/37; Rb. Brussel, 1 februari 2002, besproken in Fiscoloog
2002, p. 10, nr. 841). Het gebruik van de waardebepaling op basis van de
rendementswaarde en cashflowwaarde is een aangewezen waarderingsmethode
aangezien een waardering op basis van intrinsieke waarde in veel gevallen
niet zal leiden tot de meest objectieve waarde (Bergen, 21 juni 1996, F.J.F.,
nr. 97/11). Hierbij mag rekening gehouden worden met de toekomstwaarde (Rb.
Antwerpen, 25 juni 2004, Fisc. Koerier, 2004, p. 625-628).

27. In casu werd de waardering doorgevoerd op basis van de ?Discounted
Cash Flow?-methode (?DCF-methode?). Voor de bepaling van de toekomstige
kasstromen is de waardering gebaseerd op de businessplannen en de budgetten
opgesteld door het management van de verschillende landen, aangevuld met
informatie van het management van de groep. Deze input wordt als objectieve
en betrouwbare informatie beschouwd. Tevens werd rekening gehouden met de
specifieke kenmerken van de onderliggende entiteiten en marktomstandigheden.
Zo werd de gewogen gemiddelde kapitaalkost (WACC) in voorkomend geval
verhoogd met een risicopremie voor de risico?s eigen aan de natie. Bovendien
werd er een discount toegepast van 25% teneinde de nodige voorzichtigheid in
te bouwen. De aanvrager is dan ook van mening dat de weerhouden waarde als
een marktconforme waarde kan worden beschouwd.

III.B.2. Toepassing artikels 24 en 25 WIB 92

28. Artikel 24 WIB 92 geeft een definitie van wat als (belastbare) winst
dient beschouwd te worden. Op basis van bepaalde (voor discussie vatbare)
rechtspraak kan men stellen dat het goedkoop of om niet verkrijgen van
activa op basis van artikel 24, lid 1, 1° WIB 92 kan worden beschouwd als
belastbare exploitatiewinst (Antwerpen, 5 oktober 1999, T.F.R., 2000, p. 35;
Rb. Gent, 14 november 2002, T.F.R., 2003, p. 169). Artikel 24, lid 1, 4° WIB
92 stelt met winst gelijk elke onderwaardering van activa.

29. Artikel 25 WIB 92 geeft een uitbreiding van de definitie van winst en
stelt meer bepaald met winst gelijk de voordelen van alle aard die de
onderneming behaalt uit hoofde of ter gelegenheid van het uitoefenen van
zijn beroepswerkzaamheid (artikel 25, 2° WIB 92).

30. In casu zullen de vooropgestelde transacties gebeuren aan een
marktconforme waarde en aldus is de aanvrager van mening dat er geen sprake
kan zijn van winst conform artikel 24 WIB 92, noch conform artikel 25 WIB
92.

III.B.3. Toepassing artikels 26, 79 en 207 WIB 92

31. Artikel 26 WIB 92 stelt dat wanneer een in België gevestigde
onderneming abnormale of goedgunstige voordelen verleent, die voordelen,
onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 54 WIB 92, bij haar eigen winst
worden gevoegd, tenzij die voordelen in aanmerking komen voor het bepalen
van de belastbare inkomsten van de verkrijger. Op basis van voorgaand
artikel zou men kunnen argumenteren dat, indien de waarde van de aandelen
niet marktconform wordt vastgesteld, er sprake kan zijn van het verlenen van
een abnormaal of goedgunstig voordeel dat (gedeeltelijk) aan de belastbare
winst van de Belgische inbrengende vennootschap kan worden toegevoegd.

32. Artikel 79 WIB 92 stelt dat beroepsverliezen niet worden afgetrokken
van het gedeelte van de winst of de baten dat voortkomt uit abnormale of
goedgunstige voordelen die de belastingplichtige, in welke vorm of door welk
middel ook, rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen uit een
onderneming ten aanzien waarvan hij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in
enige band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt. Artikel 207 WIB 92 maakt
artikel 79 WIB 92 van toepassing in de vennootschapsbelasting en breidt het
uit tot de DBI-aftrek en investeringsaftrek. Tevens wordt door de wet van 22
juni 2005 een aftrekverbod opgelegd voor wat betreft de notionele
interestaftrek van verkregen abnormale of goedgunstige voordelen. In de mate
dat de waarde van de aandelen niet marktconform wordt vastgesteld (i.e. te
laag wordt ingeschat) kan er mogelijkerwijze sprake zijn van het verkrijgen
van een abnormaal of goedgunstig voordeel waartegen voorvermelde aftrekken
niet kunnen worden afgezet.

33. De aanvrager is van mening dat, gezien de weerhouden waarde als een
marktconforme waarde kan worden beschouwd, de artikels 26, 79 en 207 WIB 92
in casu niet van toepassing zijn.

III.B.4. Toepassing artikel 184 WIB 92

34. Artikel 184 WIB 92 definieert het fiscaal gestorte kapitaal als het
deel van het maatschappelijk kapitaal dat werkelijk is gestort, in zover
geen verminderingen of terugbetalingen hebben plaatsgevonden.

35. Aangezien de inbreng van de aandelen gebeurt aan een marktconforme
waarde, het maatschappelijk kapitaal van de betreffende vennootschap
evenredig verhoogt en als werkelijk gestort maatschappelijk kapitaal wordt
beschouwd, is de aanvrager van oordeel dat het bedrag van de inbreng
kwalificeert als werkelijk fiscaal gestort kapitaal in de zin van artikel
184 WIB 92.

IV. Beslissing

IV.A. Vergoedingspolitiek

36. Wat betreft de vergoedingspolitiek van de financieringsactiviteiten
en meer bepaald de formule toegepast voor het vaststellen van de
intrestvoeten op intragroepsleningen, inzonderheid de opslag boven EURIBOR
of IRS, kan verwezen worden naar het bestaande akkoord.

37. In deze beslissing wordt door de DVB bevestigd dat de intrestvoeten
als marktconform kunnen worden beschouwd, indien zij zijn vastgesteld op
basis van volgende formule:

INT= IBR + basismarge + kost component +
commitment fee + service marge

Waarbij:

INT= de toe te passen interestvoet
IBR = ?interbanking rate? met name EURIBOR van toepassing over de
looptijd van de lening wat betreft korte termijnleningen en IRS (Interest
Rate Swap) van toepassing over de looptijd van de lening wat betreft lange
termijnleningen
Basismarge = (huidige marge betaald door de groep + verwachte marge
indien herfinanciering)/2
Kost component = dit betreft de herfinancieringskosten van voor de
groep beschikbare ?senior debt facilities? afgeschreven over de
overeengekomen looptijd (momenteel 5 jaar) gedeeld door het uitstaande
bedrag aan uitstaande intragroepsleningen
Commitment fee = fee voor het aanhouden van leencapaciteit
Service marge = gebudgetteerde kosten van het ?treasury? department,
verhoogd met x % toeslag, gedeeld door het totale bedrag van de
leningsfaciliteiten.

IV.B. Inbrengwaarde

38. In het kader van de voorgenomen verwerving van aandelen door de nv Y,
werden de betrokken aandelen gewaardeerd. Het waarderingsrapport werd als
bijlage bij de aanvraag gevoegd.

39. De waarde van de aandelen is gedefinieerd als de som van de
ondernemingswaarde en de niet operationele activa en passiva.

40. Voor het bepalen van de ondernemingswaarde zijn er twee benaderingen:

43.1. de som van de geherwaardeerde operationele activa en schulden; en

43.2. de rendementswaarde van de operationele kasstromen.

44. De eerste benadering, de som van de geherwaardeerde operationele
activa en schulden, werd niet gekozen.

45. Er werd daarentegen gekozen voor de DCF-methode; deze methode geeft
?t best de waarde van de toekomstige groei weer.

46. Voor de waardering zijn de toekomstige kasstromen bepaald op basis
van de businessplannen en de budgetten, opgesteld door het management van de
verschillende landen.

47. Voor de bepaling van de gewogen gemiddelde kapitaalkost (?WACC?) -
waartegen de toekomstige operationele kasstromen worden verdisconteerd -
werd een gemiddelde genomen van de WACC’s vermeld in analistenrapporten.

48. Voor de bepaling van de eindwaarde werd uitgegaan van een groeivoet
in perpetuïteit. Hiervoor werd eveneens het gemiddelde genomen van de
groeivoeten vermeld in analistenrapporten.

49. Op de bekomen ondernemingswaarde werd een discount van 25 % toegepast
om te komen tot de netto actuele waarde van de onderneming. Deze discount
werd verrekend om conservatisme in te bouwen ten opzichte van de
groeiverwachtingen getoond in de businessplannen van de verschillende landen
en het hogere risicoprofiel van de individuele businessunits in vergelijking
met de groep.

*
* *

Gelet op wat voorafgaat heeft het College van de DVB
beslist dat:

50. de interesten in hoofde van de toekennende Belgische vennootschappen
voldoen aan de voorwaarden van de artikels 49, 52 en 55 WIB 92 en niet
kunnen worden beschouwd als verleende abnormale of goedgunstige voordelen,
zoals bedoeld in artikel 26 WIB 92, en deze intresten dus aftrekbare
beroepskosten vormen in hoofde van de toekennende vennootschappen;

51. gezien het marktconforme karakter van de interesten, de intresten in
hoofde van de verkrijgende en toekennende Belgische vennootschappen niet
kunnen worden beschouwd als abnormale of goedgunstige voordelen, zoals
bedoeld in de artikels 26, 79 en 207 WIB 92;

52. de gehanteerde waardes van de aandelen als marktconform kunnen worden
beschouwd;

53. bijgevolg de artikels 24, 25, 26, 79 en 207 WIB 92 niet van de
toepassing zijn in hoofde van de inbrengende en inbrenggenietende
vennootschappen;

54. de inbreng aanleiding zal geven tot de creatie van werkelijk gestort
fiscaal kapitaal conform artikel 184 WIB 92 in hoofde van de
inbrenggenietende vennootschappen en dit ten bedrage van de inbrengwaarde
zoals deze blijkt uit de overgelegde notariële akte;

55. onderhavige voorafgaande beslissing geldt voor een periode van vijf
opeenvolgende boekjaren.

Ruling - Personenbelasting - Meerwaarde - Meerwaarde op aandelen - Privé-vermogen - Normaal beheer van het privé-vermogen - Vennootschapsbelasting - Gestort kapitaal - Definitief belast inkomen - Aftrek van DBI

March 1st, 2008 by Push Service

700.220

Voorafgaande beslissing nr. 700.220 dd. 29.01.2008


  
Personenbelasting


  
Meerwaarde


  
Meerwaarde op aandelen


  
Privé-vermogen


  
Normaal beheer van het privé-vermogen


  
Vennootschapsbelasting


  
Gestort kapitaal


  
Definitief belast inkomen


  
Aftrek van DBI

Samenvatting

De geplande inbreng van certificaten van aandelen door mevrouw B, mevrouw
C, de heer D en de heer E maakt een normale verrichting van beheer van een
privé-vermogen bestaande uit portefeuillewaarden uit, gelet op de
engagementen door de aanvragers, zodanig dat de naar aanleiding daarvan
verwezenlijkte meerwaarden niet als in artikel 90, 1° WIB 92 vermelde
diverse inkomsten moeten worden aangemerkt.

De inbrengen van certificaten van aandelen in hoofde van de 4 BVBA?s
vertegenwoordigen fiscaal gestort kapitaal in de zin van de artikels 18, 2°
en 184 WIB 92.

De dividenden die door NV A zullen worden uitgekeerd aan de 4 BVBA?s
komen in aanmerking voor de DBI-aftrek conform artikel 202 e.v. WIB 92, voor
zover de aandelen gedurende een ononderbroken periode van ten minste één
jaar in volle eigendom worden gehouden.

I. Voorwerp van de aanvraag

De aanvraag strekt ertoe te vernemen of:

1. de ?interne meerwaarden?, gerealiseerd door de certificaathouders (de
4 kinderen) naar aanleiding van de inbreng van hun certificaten van aandelen
van de operationele vennootschap NV A in hun respectievelijke
vennootschappen (BVBA?s), zoals verder beschreven, kaderen binnen het
normaal beheer van een privé-vermogen en derhalve niet beschouwd zullen
worden als zijnde diverse inkomsten overeenkomstig artikel 90, 1° WIB 92;

2. mits een correcte bedrijfseconomische waardering en gelet op de
huidige stand van de wetgeving, de inbrengen in hoofde van de BVBA?s fiscaal
gestort kapitaal vertegenwoordigen in de zin van de artikels 18, 2° en 184
WIB 92;

3. de engagementen voor een belastingvrije inbreng van de certificaten,
zoals verder beschreven, niet worden geschonden indien:

de 4 kinderen (aandeelhouders/bestuurders van de BVBA?s), een jaarlijks
beperkt bedrag (onder de vorm van dividenden en/of bestuurdersvergoedingen),
zoals toegelicht in de punten 52 - 56, zullen ontvangen dat voor hen zal
dienen als ?leefgeld?;

de BVBA?s een (beperkte) jaarlijkse bestuurders- of managementvergoeding,
zoals toegelicht in de punten 46 - 51, zullen ontvangen van NV A;

de BVBA?s een jaarlijks dividend zullen ontvangen van NV A, waarvan de
grootte volledig vrij te bepalen is, aangezien deze bedragen zullen dienen
om investeringen/beleggingen te verrichten binnen de BVBA?s;

4. de dividenden die door NV A zullen worden uitgekeerd aan de BVBA?s in
aanmerking komen voor de aftrek Definitief Belaste Inkomsten (hierna
DBI-aftrek genaamd) conform artikel 202 e.v. WIB 92.

II. Omschrijving van de verrichtingen

II.A. Beschrijving van de activiteiten van bij de geplande
reorganisatie betrokken entiteiten

5. Al de bij de reorganisatie betrokken entiteiten (zijnde de
vennootschappen NV A, BVBA B, BVBA C, BVBA D, BVBA E en de Stichting
Administratiekantoor F) maken deel uit van de groep A.
6. De vennootschappen BVBA B, BVBA C, BVBA D en BVBA E zijn de
vennootschappen van de 4 kinderen, zijnde mevrouw B, mevrouw C, de heer D en
de heer E.

7. De strategie die destijds door de groep A werd gevolgd, bestond erin
om per activiteit een afzonderlijke vennootschap op te richten waarbij zowel
het onroerend goed als de activiteit werd ondergebracht in één en dezelfde
vennootschap.

8. Na de verkoop van haar onroerend goed bestond de functie van de
vennootschap NV A hoofdzakelijk uit het management van de vennootschap NV G.
Daarnaast stond NV A in voor het management van de vier overige
vennootschappen (NV H., NV I, NV J en NV K) en werden door haar een aantal
investeringen gedaan in onroerende goederen.

9. NV A fuseerde vervolgens, waarbij de toenmalige vennootschap NV A het
gehele vermogen van de vennootschappen NV H (die vóór de fusie een
deelneming aanhield in NV G), NV I, NV J en NV K, en dit zowel de rechten
als de verplichtingen, overnam. Het belangrijkste doel van de voorgestelde
fusie was het combineren van de sterke punten van de vijf vennootschappen
evenals het wegwerken van een aantal inefficiënties dewelke inherent waren
aan de daarvoor geldende structuur. Door deze fusie werden enkele bijkomende
onroerende goederen ondergebracht in NV A, zijnde de onroerende goederen van
de vennootschappen NV I en NV J (zie punt 11).

10. Daarnaast werd (ten gevolge van deze fusie) de vennootschap NV A
aandeelhouder van de vennootschap NV G. Nadien werd dan vervolgens de
participatie in NV G verkocht door NV A.

11. Momenteel maken de onroerend goed activiteiten van NV A haar
hoofdactiviteit uit.

12. Naast haar onroerend goed activiteiten beheert NV A ook het roerend
patrimonium dat zich in de vennootschap bevindt.

13. Het bestuur van de NV A wordt momenteel uitgemaakt door de ouders,
zijnde de heer en mevrouw Y en de vennootschappen van hun kinderen, zijnde
BVBA B, BVBA C, BVBA D en BVBA E. Het bestuur zal ongewijzigd blijven na de
herstructurering van de Groep A.

14. Het huidige aandeelhouderschap van de vennootschap NV A kan als volgt
weergegeven worden:

99,11 % van de aandelen zijn in handen van de Stichting
Administratiekantoor F (mevrouw B, mevrouw C, de heer D en de heer E hebben
elk 25 % van de certificaten van aandelen NV A in hun bezit);

0,89 % van de aandelen zijn in handen van de heer en mevrouw Y.

15. De vennootschap BVBA B werd opgericht door de heer en mevrouw B.
Beide vennoten bezitten 50 % van de aandelen van de vennootschap en zijn tot
statutaire zaakvoerders benoemd voor een onbepaalde duur. Het bestuursorgaan
van de vennootschap zal ongewijzigd blijven ná de inbreng van de
certificaten. Naar aanleiding van de inbreng van de certificaten van
aandelen NV A door mevrouw B (zie verder) zal het aandelenbezit in de
vennootschap BVBA B wijzigen. Immers, mevrouw B zal bijkomend aandelen BVBA
B verwerven ter compensatie van de inbreng. Hierdoor zal zij over meer dan
50 % van de aandelen van de vennootschap BVBA B beschikken. In dit stadium
is het nog niet mogelijk te bepalen wat de exacte verhouding van het
aandelenbezit zal zijn, aangezien de certificaten nog niet gewaardeerd zijn
door een onafhankelijke revisor.

16. De activiteit van de vennootschap BVBA B is voorlopig beperkt. Verder
voert de heer B een actieve rol als voorzitter in NV A en in het tot stand
brengen van nieuwe initiatieven.

17. Gezien zijn leeftijd verkiezen de heer en mevrouw B de basis te
creëren voor de toekomstige initiatieven van hun kinderen, die allen
potentiele starters en initiatiefnemers zijn voor wat betreft de toekomst.
Zij verkiezen eerst externe professionele ervaring op te doen, maar blijven
sterk geïnteresseerd om in de toekomst hun eigen firma(?s) op te richten.

18. Verder bevat de BVBA reeds een project en is er zeker de intentie om
op dit vlak meerdere initiatieven te ontplooien.

19. Er werd nog meegedeeld dat er plannen zijn om samen met BVBA E te
investeren in een onroerend goed dat momenteel nog eigendom is van NV A. Dit
zou een gunstige evolutie zijn aangezien het onroerend goed anders leeg zou
komen te staan of uiteindelijk verkocht zou worden. Er wordt benadrukt dat
er slechts twee van de vier kinderen/BVBA?s geïnteresseerd zouden zijn in
zulk een project. Door de remmende werking van de huidige structuur van de
groep A zou zulke ?joint venture? niet kunnen doorgaan aangezien de familie
hierover min of meer unaniem zou moeten zijn. Door de herstructurering van
groep A zou zulke unanimiteit niet meer vereist zijn.

20. De vennootschap BVBA C werd opgericht door mevrouw C, die 100 % van
de aandelen van de vennootschap C bezit en is tevens de enige zaakvoerder.
Zowel het aandelenbezit als het bestuursorgaan van de vennootschap zal
ongewijzigd blijven ná de inbreng van de certificaten.

21. De activiteiten van BVBA C zijn momenteel eerder beperkt.

22. Na de herstructurering van de groep A is het echter de bedoeling om
op korte termijn nieuwe activiteiten te ontplooien binnen de BVBA. Zo zijn
er al zeer concrete plannen.

23. De vennootschap BVBA D werd opgericht door de heer en mevrouw D. De
heer D bezit 51 % van de aandelen en mevrouw D bezit 49 % van de aandelen.
De heer D is aangesteld als statutair zaakvoerder voor onbepaalde termijn.
Het bestuursorgaan van de vennootschap zal ongewijzigd blijven ná de inbreng
van de certificaten. Het aandelenbezit zal echter wijzigen naar aanleiding
van de inbreng van certificaten door de heer D, waardoor deze over een
groter percentage van de aandelen BVBA D zal beschikken. In dit stadium is
het nog niet mogelijk te bepalen wat de exacte verhouding van het
aandelenbezit zal zijn.

24. De activiteiten van de vennootschap BVBA D zijn momenteel eerder
beperkt.

25. Na de herstructurering van de groep A is het echter de bedoeling om
ook binnen BVBA D nieuwe activiteiten te ontplooien.

26. De vennootschap BVBA E werd opgericht door de heer en mevrouw E die
beiden benoemd zijn tot zaakvoerder van de vennootschap. Alle aandelen zijn
in handen van de heer E. Het bestuursorgaan van de vennootschap zal
ongewijzigd blijven ná de inbreng van de certificaten.

27. De activiteiten van de vennootschap BVBA zijn momenteel eerder
beperkt.

28. Het is de bedoeling om de (eerder beperkte) huidige activiteiten
verder te zetten. Daarnaast zal er gefocust worden op het vinden van nieuwe
projecten.

29. De raad van bestuur van de Stichting Administratiekantoor F (hierna
STAK genaamd) wordt gevormd door de heer en mevrouw Y.

30. Conform haar statuten heeft de STAK als hoofddoel het tegen uitgifte
van gewone certificaten ten titel van beheer in eigendom verkrijgen en
administreren van aandelen in het kapitaal van NV A, alsmede het uitoefenen
van alle aan de aandelen verbonden rechten, zoals het stemrecht en
claimrecht en het ontvangen van dividenden en andere uitkeringen, waaronder
begrepen liquidatie-uitkeringen, onder de verplichting het ontvangene
onverwijld aan de certificaathouders uit te keren. Conform haar
administratievoorwaarden heeft de STAK de verplichting elk dividend en elke
andere uitkering op de door hem verkregen aandelen bij NV A te innen en
binnen een week na ontvangst het dividend of de uitkering corresponderend
met de certificaten uitgegeven voor deze aandelen betaalbaar te stellen.
Deze bepaling impliceert dat STAK dient aanzien te worden als een fiscaal
transparante entiteit. De STAK beschikt over 99,11 % van de aandelen NV A.
In ruil hiervoor heeft zij destijds certificaten uitgegeven die nu elk voor
één vierde in handen zijn van de kinderen, zijnde mevrouw B, mevrouw C, de
heer D en de heer E.

II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting

31. De reorganisatie heeft mede tot doel om een deel van het aanwezige
patrimonium van de groep A onder te brengen in de BVBA?s van de 4 kinderen,
zijnde de vennootschappen BVBA B, BVBA C, BVBA D en BVBA E. Op deze manier
kunnen de kinderen zelf beslissingen nemen met betrekking tot toekomstige
projecten en toekomstige investeringen.

32. Hierna worden alle voorgenomen transacties van de reorganisatie
beschreven.

  • Voorafgaande inkoop eigen aandelen door NV A (stap 1)

33. Alvorens een deel van het roerend patrimonium van de groep A onder te
brengen in de vier bestaande BVBA?s van de kinderen (zie hierna), is het
aangewezen dat elk kind een gelijk aantal certificaten aanhoudt in NV A.
Hiertoe zullen de 0,89 % van de aandelen die de ouders aanhouden in NV A
worden ingekocht door NV A. Naar aanleiding van deze inkoop zal 10 %
roerende voorheffing worden ingehouden op de zogenaamde ?liquidatiebonus?.
Door deze transactie zullen alle kinderen over een gelijk aantal
certificaten beschikken, terwijl de ouders geen aandeelhouder meer zullen
zijn van NV A. Er wordt benadrukt dat het hier om een disproportionele
inkoop van eigen aandelen gaat, waarbij het de bedoeling zal zijn dat deze
eigen aandelen onmiddellijk na de inkoop worden vernietigd. De aanrekening
hiervan zal waarschijnlijk gebeuren op de bestaande reserves. Er zal
bijgevolg geen kapitaalvermindering plaatsvinden.

  • Inbreng van certificaten door de certificaathouders in bestaande
    BVBA?s (stap 2)

34. De vier kinderen-certificaathouders overwegen daarna om hun
certificaten NV A in te brengen in hun eigen, bestaande vennootschap (de
BVBA?s):

25 % van de certificaten zullen door mevrouw B worden ingebracht in BVBA
B: hiertoe zullen aandelen van BVBA B worden uitgereikt aan mevrouw B;

25 % van de certificaten zullen door mevrouw C worden ingebracht in BVBA
C: hiertoe zullen aandelen van BVBA C worden uitgereikt aan mevrouw C;

25 % van de certificaten zullen door de heer D worden ingebracht in BVBA
D: hiertoe zullen aandelen BVBA D worden uitgereikt aan de heer D;

25 % van de certificaten zullen door de heer E worden ingebracht in BVBA
E: hiertoe zullen aandelen BVBA E worden uitgereikt aan de heer E.

35. Naar aanleiding van de inbreng gaan zowel de 4 BVBA?s als NV A
volgende verbintenissen aan:

de BVBA?s zullen gedurende een periode van 3 jaar te rekenen vanaf de
inbreng geen kapitaalvermindering doorvoeren (eerste voorwaarde);

NV A zal gedurende een periode van 3 jaar te rekenen vanaf de inbreng
geen kapitaalvermindering doorvoeren, tenzij die middelen door de BVBA?s
worden gebruikt voor bijvoorbeeld nieuwe investeringen of financiering van
andere groepsvennootschappen of verbonden ondernemingen zonder dat deze
geldmiddelen mogen doorstromen naar de aandeelhouders natuurlijke personen
(tweede voorwaarde);

NV A zal gedurende een periode van 3 jaar te rekenen vanaf de inbreng
haar dividenduitkeringen niet wijzigen t.o.v. vroeger (d.w.z. vóór de
inbreng in het kapitaal van de BVBA?s). Er mogen toch hogere dividenden
worden uitgekeerd indien wordt aangetoond dat de dividenduitkeringen worden
gebruikt voor bijvoorbeeld nieuwe investeringen of financiering van andere
groepsvennootschappen of verbonden ondernemingen. De hogere
dividenduitkeringen mogen echter niet doorvloeien naar de aandeelhouders
natuurlijke personen. De hogere dividenden mogen ook worden gebruikt voor de
betaling van aandeelhouders die wensen uit te treden voor zover de
dividenduitkeringen worden gebruikt voor de terugbetaling van een lening of
de aflossing van een rekening-courant die werd aangegaan voor de uitkoop van
sommige aandeelhouders. De terugbetaling van de lening of de aflossing van
de rekening-courant moet echter wel over een voldoende lange periode worden
gespreid (minimum 5 à 7 jaar) (derde voorwaarde);

NV A zal gedurende een periode van 3 jaar te rekenen vanaf de inbreng
haar management-fees, bedrijfsleidersbezoldigingen, enz?die zij zal betalen
laten overeenstemmen met de vroegere bedrijfsleiders-bezoldigingen. De
geldstroom vanuit NV A naar de BVBA?s mag hoger zijn dan de vroegere
bedrijfsleidersbezoldigingen indien blijkt dat hier daadwerkelijk prestaties
tegenover staan (bv. boekhouding, personeel,?) die vroeger op het niveau van
NV A werden verricht en nu door de BVBA?s worden uitgevoerd (eventueel met
overdracht van het betrokken personeel) én marktconform worden doorgerekend
(vierde voorwaarde).

36. De certificaten van aandelen NV A zullen met het oog op de inbreng
door een onafhankelijke bedrijfsrevisor worden gewaardeerd. Met het oog op
de inkoop van 0,89 % eigen aandelen door NV A, zullen ook de aandelen worden
gewaardeerd.

37. Het verslag van de bedrijfsrevisor zal, van zodra dit beschikbaar is,
worden nagestuurd naar de DVB.

  • Uitkeringen aan de BVBA?s in de 3-jarige periode na de inbreng

38. Zoals reeds werd beschreven, is de herstructurering van de groep A er
onder andere op gericht om de kinderen toe te laten hun eigen projecten te
realiseren binnen hun eigen vennootschap, zonder dat hiervoor enig
voorafgaandelijk akkoord vereist is van de overige familieleden. Hiervoor
dienen er bijgevolg wel voldoende liquide middelen aanwezig te zijn binnen
deze vennootschappen. De BVBA?s zullen hiertoe enerzijds dividenden
ontvangen van NV A (grootste deel van de vergoedingen) en anderzijds zullen
zij jaarlijks een (eerder beperkte) bestuurders- of managementvergoeding
ontvangen. Met deze liquide middelen zullen zij dan de beoogde
investeringen/beleggingen mee kunnen verrichten.

39. Het is de bedoeling om de in punt 35 aangegane verbintenissen (en dus
het belastingvrije karakter van de inbreng) niet te schenden.

40. Hiervoor dient o.a. de verbintenis aangegaan te worden dat NV A
gedurende een periode van 3 jaar te rekenen vanaf de inbreng haar
dividenduitkeringen niet zal wijzigen t.o.v. vroeger (d.w.z. vóór de inbreng
in de BVBA?s). Er mogen echter wel hogere dividenden worden uitgekeerd
indien wordt aangetoond dat de dividenduitkeringen worden gebruikt voor
bijvoorbeeld nieuwe investeringen of financiering van andere
groepsvennootschappen of verbonden ondernemingen. De hogere
dividenduitkeringen mogen echter niet doorvloeien naar de aandeelhouders
natuurlijke personen.

41. Daarnaast mag NV A gedurende een periode van 3 jaar te rekenen vanaf
de inbreng geen kapitaalvermindering doorvoeren, tenzij die middelen door de
BVBA?s worden gebruikt om bijvoorbeeld nieuwe investeringen of financiering
van andere groepsvennootschappen of verbonden ondernemingen te verrichten
zonder dat deze geldmiddelen mogen doorstromen naar de aandeelhouders
natuurlijke personen.

42. De hoogte van de dividendbetalingen/kapitaalverminderingen die zullen
worden toegekend aan de BVBA?s om investeringen/beleggingen te verrichten op
het niveau van deze BVBA?s (waarbij het geenszins de bedoeling is om de
gelden te laten doorstromen naar de aandeelhouders natuurlijke personen)
mogen dan ook volledig vrij bepaald worden.

43. Er werd bevestigd dat de hogere dividenduitkering zal beperkt worden
tot het bedrag van de ?duurste? investering die door één BVBA zal worden
gedaan. Iedere BVBA zal dus een bedrag ter beschikking krijgen dat
overeenkomt met de ?duurste? investering (eventueel een (directe)
participatie) die één van de BVBA?s zal verrichten.

44. Iedere BVBA, die niet overgegaan is tot investeringen ten belope van
het totale bedrag aan uitgekeerde hogere dividenden binnen de 3-jarige
periode, gaat het engagement aan om het hogere dividend niet aan te wenden
om een kapitaalvermindering door te voeren alvorens het hogere dividend - in
de mate waarin dit hogere dividend niet is aangewend voor investeringen - is
weder uitgekeerd als dividend (met RV) aan de natuurlijke persoon….

45. Het is niet de intentie om tijdens de 3-jarige periode na de inbreng
over te gaan tot een kapitaalvermindering.

46. Met het oog op het belastingvrije karakter van de inbreng, verbinden
de aanvragers zich er ook toe dat de bestuurders- of managementvergoedingen
die in de 3-jarige periode na de inbreng zullen betaald worden aan de BVBA?s
niet hoger zullen zijn dan vóór de inbreng (vierde voorwaarde).

47. De vennootschappen BVBA C en BVBA D hebben een (eerder beperkte)
vergoeding verkregen van NV A.

48. Daar de aangegane vierde verbintenis inhoudt dat gedurende een
periode van 3 jaar te rekenen vanaf de inbreng, de door NV A betaalde
management-fees, bedrijfsleidersbezoldigingen, enz?moeten overeen stemmen
met de vroegere bedrijfsleidersbezoldigingen (betaald aan de BVBA?s), zal NV
A zich gedurende de 3-jarige periode na de inbreng beperken tot het
uitbetalen aan de 4 BVBA?s van een jaarlijkse bestuurdersvergoeding van
maximum X EUR (per BVBA).

49. Dit bedrag kan verantwoord worden door het feit dat dit het laatste
bedrag is dat werd uitbetaald door NV A aan de vennootschappen BVBA C en
BVBA D. Een laatste argument is dat het WIB 92 een minimumbezoldiging
vooropstelt als één van de voorwaarden om te kunnen genieten van het
verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting (artikel 215 WIB 92). De
wetgever beschouwt dit bedrag met andere woorden als een absoluut minimum
dat moet uitgekeerd worden (als bedrijfsleidersbezoldiging) op voorwaarde
dat er voldoende financiële ruimte aanwezig is binnen de vennootschap.

50. Er werd meegedeeld dat de bestuurders BVBA?s statutair benoemd zijn
in NV A en dat de vergoeding voor hun bestuurdersmandaat minimaal X EUR per
jaar per BVBA bedraagt. Naast BVBA C en BVBA D heeft ook BVBA E
gelijkaardige vergoedingen ontvangen vanuit NV A. BVBA B heeft (omwille van
een tegenstrijdig belang) in het verleden geen vergoedingen ontvangen vanuit
NV A. Sinds de verkoop van de aandelen NV G is de heer B (bestuurder-aandeelhouder
van BVBA B) als voorzitter van NV A zich meer beginnen te engageren binnen
NV A. Waar vroeger NV A eerder een ?passieve? investering had, dienen de
binnengekomen gelden naar aanleiding van de verkoop van de aandelen nu dan
ook ?actiever? beheerd te worden. Het opvolgen van de diverse beleggingen
vraagt veel tijd en energie, waardoor een geplande bestuurdersvergoeding van
X EUR dan ook volledig gerechtvaardigd is. Naast het zetelen in de raad van
bestuur focussen de BVBA?s zich dan ook op het regelmatige/effectieve beleid
van de vennootschap. Doordat er binnen NV A geen extern dagdagelijks
management aanwezig is, zijn deze activiteiten/verantwoordelijkheden
verdeeld over de verschillende partijen. Gezien de grootte van het vermogen
is dit ook effectief noodzakelijk.

51. De aanvragers zijn dan ook van mening dat de in punt 35 aangegane
verbintenissen niet geschonden worden indien een jaarlijkse
bestuurdersvergoeding van maximum X EUR per BVBA zal gefactureerd worden aan
NV A.

  • Uitkeringen aan de kinderen in de 3-jarige periode na de inbreng

52. Daarnaast is het noodzakelijk dat de kinderen als
aandeelhouders/bestuurders van de BVBA?s jaarlijks een (beperkte) vergoeding
zullen krijgen, hetzij via dividenduitkering, hetzij via een
bestuurdersvergoeding. Deze vergoedingen zullen dienen als ?leefgeld? voor
deze personen.

53. Ook hier is het de bedoeling om de in punt 35 aangegane
verbintenissen (en dus het belastingvrije karakter van de inbreng) niet te
schenden. Het opzet is dan ook dat de dividenden die in de 3-jarige periode
na de inbreng vanuit NV A zullen worden uitbetaald aan de kinderen
(aandeelhouders natuurlijke personen) niet hoger zullen zijn dan vóór de
inbreng (derde voorwaarde).

54. Om hierover te kunnen oordelen is het belangrijk te weten welke
dividenden door NV A in het recente verleden zijn uitbetaald aan de
kinderen. Deze dividenden werden door NV A uitgekeerd aan de STAK die deze
dividenden op haar beurt heeft doorgestort aan de certificaathouders.

55. Een goed criterium lijkt om de bedragen van de dividenduitkeringen
die in de 3-jarige periode na de inbreng zullen worden uitgekeerd aan de
aandeelhouders natuurlijke personen te baseren op de gemiddelde
dividenduitkering van de 4 recentste jaren. Er wordt voorgesteld om dit
bedrag verder te zetten naar de toekomst toe.

56. De in punt 35 aangegane verbintenissen worden niet geschonden indien
een totale jaarlijkse dividenduitkering van X EUR zal uitgekeerd worden door
NV A aan de aandeelhouders natuurlijke personen van de BVBA?s. Hierbij is
het de bedoeling dat de STAK de dividenden die zij van NV A ontvangt, zal
doorstorten aan de certificaathouders, zijnde de 4 BVBA?s. Deze
vennootschappen zullen op hun beurt dan deze dividenduitkeringen doorstorten
aan hun aandeelhouders (o.a. de 4 kinderen) na inhouding van een bevrijdende
roerende voorheffing zoals van toepassing op dividenduitkeringen.

III. Motivering van de aanvraag

III.A. Bedrijfseconomische motivering

  • Remmende werking van de huidige structuur

57. De huidige structuur van de groep A heeft een remmende werking om op
een goede manier beslissingen te kunnen nemen omtrent de aanwending van het
aanwezige patrimonium (o.a. beslissingen omtrent toekomstige investeringen
en toekomstige activiteiten) wat momenteel is ondergebracht in NV A.

58. Doordat de ouders het bestuur van de STAK uitmaken, beschikken zij in
principe over (bijna) alle beslissingsmacht. De STAK kan als aandeelhouder
van NV A immers beslissen over de samenstelling van het bestuur van NV A, de
hoogte van de dividenduitkeringen vanuit NV A,?In de praktijk is het echter
zo dat zowel de vier kinderen als de twee ouders het merendeel van de
beslissingen min of meer in samenspraak dienen te nemen, wat geregeld voor
een verschil in visie kan zorgen (niet alle kinderen hebben immers dezelfde
interesses). De kinderen wensen reeds sinds geruime tijd hun eigen projecten
op te starten en de huidige structuur werkt dit enigszins tegen, waardoor
uiteindelijk een aantal projecten nog niet zijn kunnen doorgaan. Indien de
huidige structuur in de toekomst zou worden aangehouden is de kans zeer
reëel dat er binnen NV A geen of bijna geen bijkomende activiteiten zullen
worden gerealiseerd, dit om de eenvoudige reden dat elk van de kinderen
afhankelijk is van het oordeel van de overige familieleden omtrent de
aanwending van het aanwezige patrimonium en omdat de meningen hierover
verdeeld zijn.

  • Doel van de herstructurering

59. De verschillende transacties zoals hiervoor besproken kaderen allen
binnen een herstructurering van de groep A, waarbij het opzet is dat
uiteindelijk een deel van het patrimonium van de groep in gemeenschappelijke
naam zal beheerd worden door de kinderen (met tussenkomst van de ouders) en
een ander deel van het patrimonium door de vier kinderen (zijnde mevrouw B,
mevrouw C, de heer D en de heer E) afzonderlijk kan beheerd worden in hun
eigen, bestaande BVBA.

60. Zoals reeds eerder vermeld kan het vermogen van NV A grotendeels
opgesplitst worden in het onroerend patrimonium enerzijds en het roerend
patrimonium anderzijds. Het is de wens van de familie dat het (grootste deel
van het) onroerend patrimonium van de groep, evenals een gedeelte van het
roerend patrimonium, door de kinderen (en de ouders) gemeenschappelijk
beheerd zal blijven binnen NV A. Het andere deel van het patrimonium zal
(geleidelijk aan) ondergebracht worden in de vier BVBA?s van de kinderen die
dit ieder in eigen naam en voor eigen rekening zullen beheren.

61. Door het onderbrengen van een deel van het (vooral roerend)
patrimonium in de BVBA?s van de kinderen, kunnen deze zelf beslissingen
nemen over welke activiteiten zij wensen te ontplooien en welke
investeringen hiervoor noodzakelijk zijn. Er wordt benadrukt dat ieder van
hen al concrete plannen heeft in dit verband.

62. Het is de bedoeling dat de familie (ouders én kinderen) in
gezamenlijk overleg zal beslissen welk deel van het roerend patrimonium van
de Groep zal ondergebracht worden in de BVBA?s. Aangezien de ouders het
bestuur van de STAK uitmaken, beschikken zij uiteindelijk wel over de
beslissingsbevoegdheid.

63. Daarnaast is de herstructurering van belang om de erfopvolging van de
tweede generatie op een goede manier voor te bereiden, aangezien deze
generatie zelf reeds kinderen heeft (derde generatie). Ook deze generatie
heeft al plannen om bepaalde projecten te verwezenlijken. De aanvragers zijn
dan ook van mening dat het regelen van de opvolging van een familiebedrijf
en het vermijden van eventuele economisch ?remmende? verschillen in visie
een daad van normaal en voorzichtig beheer van een goede huisvader uitmaakt.

  • A contrario: niet fiscaal geïnspireerd

64. De herstructurering van de groep A is niet fiscaal geïnspireerd. De
reorganisatie heeft vanuit het standpunt van de belastingplichtige immers
verschillende negatieve fiscale gevolgen, waarvan hierna een beperkt
overzicht kan teruggevonden worden.

65. De herstructurering heeft tot doel om het ontwikkelen van nieuwe
activiteiten/projecten binnen de BVBA?s te stimuleren, waardoor er naar alle
waarschijnlijkheid belastbare basis zal gecreëerd worden binnen deze
vennootschappen. Daarenboven zal een groot deel van de nodige middelen
hiervoor via dividenduitkeringen moeten komen van NV A (zie hiervoor), wat
op zich een negatieve invloed zal hebben op het eigen vermogen van NV A (en
bijgevolg ook op de notionele interestaftrek). Bovendien zijn de uitgekeerde
dividenden in hoofde van NV A fiscaal niet aftrekbaar en worden zij
(weliswaar beperkt - door de DBI-aftrek zal 95 % van de ontvangen dividenden
in hoofde van de BVBA?s vrijgesteld zijn van vennootschapsbelasting) belast
in hoofde van de genieters, zijnde de 4 BVBA?s.

66. De verlaging van de notionele interestaftrek in hoofde van NV A wordt
tenslotte niet gecompenseerd binnen de BVBA?s, aangezien hier geen notionele
interestaftrek zal gecreëerd worden door de aanwezigheid van de certificaten
van aandelen NV A. Deze certificaten zullen immers moeten afgetrokken worden
van het eigen vermogen van de BVBA?s om de notionele interestaftrek in deze
vennootschappen te berekenen, waardoor er weinig of geen notionele
interestaftrek zal overblijven.

III.B. Kwalificatie van de zogenaamde interne meerwaarden in hoofde
van de huidige certificaathouders

67. Cruciaal is de vraag of de zogenaamde interne meerwaarden die in casu
zullen worden gerealiseerd door de certificaathouders naar aanleiding van de
inbreng van hun certificaten in hun respectievelijke vennootschappen al dan
niet kaderen binnen het normaal beheer van een privé-vermogen en meer
bepaald of deze meerwaarden belastbaar zouden zijn conform artikel 90,1° WIB
92.

68. Artikel 90,1° WIB 92 stelt het volgende: ?Diverse inkomsten zijn (?)
winst of baten, hoe ook genaamd, die zelfs occasioneel of toevallig, buiten
het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit enige prestatie,
verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden, daaronder niet
begrepen normale verrichtingen van beheer van privé-vermogen bestaande uit
onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen;?(?)

69. Zoals reeds eerder werd aangehaald maakt de inbreng van de
certificaten door de kinderen deel uit van de herstructurering van de groep
A die erop gericht is om o.a. de remmende werking van de huidige structuur
op te lossen. Door de inbreng van de certificaten kan een deel van het
patrimonium ingebracht worden in de BVBA?s waardoor de kinderen hun eigen
projecten/investeringen kunnen verwezenlijken, zonder dat hiertoe
toestemming vereist is van de andere familieleden. Op deze manier kunnen
bijkomende activiteiten/projecten geëxploiteerd worden. Daarenboven is de
herstructurering van de groep gericht op het voorbereiden van de
erfopvolging naar de derde generatie. Eventuele conflicten tussen erfgenamen
kunnen op deze manier worden vermeden.

70. Bovenvermelde redenen maken dat de voorgestelde transactie in die zin
een normaal beheer van privé-vermogen uitmaakt, waardoor de gerealiseerde
interne meerwaarden niet als belastbaar dienen aanzien te worden. In het
kader van artikel 90,1° WIB 92 wordt er verder opgemerkt dat er in casu geen
sprake is van speculatie (o.a. gezien het geenszins de intentie is de
aandelen/certificaten op korte termijn te gelde te maken).

III.C. Creatie gestort kapitaal naar aanleiding van de inbreng

71. Daarnaast is van belang of de inbrengen van de certificaten door de
kinderen in de BVBA?s fiscaal gestort kapitaal uitmaken in hoofde van de
BVBA?s.

72. Artikel 184 WIB 92 stelt het volgende: ?Het gestorte kapitaal is het
statutaire kapitaal voorzover dat gevormd wordt door werkelijk gestorte
inbrengen en voorzover er geen vermindering heeft plaatsgevonden.?

73. De commentaar op het WIB 92 (Comm. IB. 92 184/4) stelt vervolgens:
?Bij haar oprichting bestaat het maatschappelijk kapitaal van een
vennootschap uit de inbrengen van haar vennoten of aandeelhouders (in geld,
roerende of onroerende goederen, handelsfonds, octrooien, enz.). Wanneer bij
die oprichting het geplaatste maatschappelijk kapitaal onmiddellijk wordt
volgestort, stemt het gestort kapitaal op dat ogenblik overeen met het
maatschappelijk kapitaal.?

74. Volgens artikel 18, 2° WIB 92 omvatten dividenden: ?gehele of
gedeeltelijke terugbetalingen van maatschappelijk kapitaal, met uitzondering
van terugbetalingen van gestort kapitaal verkregen ter uitvoering van een
regelmatige beslissing tot vermindering van het maatschappelijk kapitaal,
overeenkomstig de voorschriften van de gecoördineerde wetten op de
handelsvennootschappen.?

75. Derhalve dienen de ingebrachte certificaten in hoofde van de BVBA?s
dan ook als fiscaal gestort kapitaal aanzien te worden.

III.D. DBI-aftrek op dividenden uitgekeerd door NV A aan de BVBA?s

76. Tenslotte is van belang dat de dividenden die zullen worden
uitgekeerd door NV A aan de BVBA?s (zie ook punten 39 - 45) kunnen genieten
van de zogenaamde DBI-aftrek conform artikel 202 e.v. WIB 92, waardoor de
uitgekeerde dividenden in hoofde van de ontvangende BVBA?s voor 95 % zijn
vrijgesteld van vennootschapsbelasting.

77. In dit kader wordt er verwezen naar de voorafgaande beslissing nummer
300.328 dd. 21 april 2005 waarin wordt gesteld dat de certificering van de
aandelen NV X (in casu NV A) middels Y (in casu de STAK) geen afbreuk doet
aan de toepassing van de DBI-aftrek in België. Aangezien de participatie van
de BVBA?s in NV A (elke BVBA door middel van 25 % van de certificaten)
voldoet aan de voorwaarden van artikel 202 e.v. WIB 92 zullen de uitgekeerde
dividenden in hoofde van de BVBA?s onderworpen zijn aan de DBI-aftrek.

IV. Beslissing

IV.A. Inzake de inbreng van certificaten door mevrouw B, mevrouw C,
de heer D en de heer E in hun respectievelijke BVBA?s

78. De inbreng van de certificaten van aandelen van NV A door mevrouw B,
mevrouw C, de heer D en de heer E in hun respectievelijke BVBA?s moet als
een verrichting worden beschouwd.

79. De meerwaarde die bij de inbreng van de certificaten van aandelen
wordt gerealiseerd is niet het gevolg van speculatie als bedoeld in artikel
90, 1° WIB 92.

80. De certificaten van aandelen zijn portefeuillewaarden als bedoeld in
artikel 90, 1° WIB 92 en behoren tot het privé-vermogen van mevrouw B,
mevrouw C, de heer D en de heer E.

81. Gelet op de engagementen vermeld in punt 35 kan worden aangenomen dat
de verrichting niet als hoofddoel belastingontwijking heeft.

82. NV A wenst aan de BVBA?s een jaarlijks dividend uit te keren, waarvan
de grootte volledig vrij te bepalen is, aangezien deze bedragen zullen
dienen om investeringen/beleggingen te verrichten binnen de BVBA?s (zie
engagement in punt 35.3.). De hogere dividenduitkering zal beperkt worden
tot het bedrag van de ?duurste? investering die door één BVBA zal worden
gedaan. Iedere BVBA zal dus een bedrag ter beschikking krijgen dat
overeenkomt met de ?duurste? investering (eventueel een (directe)
participatie) die één van de BVBA?s zal verrichten. Met dit geld kan dan de
ontwikkeling van de activiteiten die zich binnen de BVBA?s zullen situeren
op gang gebracht worden. De hogere dividenduitkeringen zullen niet
doorvloeien naar de aandeelhouders natuurlijke personen. Iedere BVBA, die
niet overgegaan is tot investeringen ten belope van het totale bedrag aan
uitgekeerde hogere dividenden binnen de 3-jarige periode, gaat daarbij het
in punt 44 opgenomen engagement aan..Er werd benadrukt door de aanvragers
dat het niet de intentie is om tijdens de 3-jarige periode na de inbreng
over te gaan tot een kapitaalvermindering.

83. Daarnaast wensen de aanvragers dat zij als aandeelhouders van de
BVBA?s jaarlijks een beperkte (dividend)vergoeding zullen krijgen. Met het
oog op het bepalen van een dividenduitkering die niet hoger mag zijn dan
voor de inbreng (zie engagement 35.3.), werd een gemiddelde genomen van de
tijdens de laatste vier jaren uitgekeerde dividenden aan de STAK. Derhalve
zullen de dividenden (een totale jaarlijkse dividenduitkering van X EUR) die
doorvloeien naar de aandeelhouders natuurlijke personen niet geacht worden
hoger te zijn dan voor de inbreng. De STAK zal de dividenden die zij van NV
A ontvangt doorstorten aan de certificaathouders, zijnde de 4 BVBA?s, die op
hun beurt de dividenduitkeringen zullen doorstorten aan hun aandeelhouders.

84. Teneinde rekening te houden met het engagement vermeld in punt 35.4.
zal NV A zich gedurende de 3-jarige periode na de inbreng beperken tot het
uitbetalen van een jaarlijkse bestuurdersvergoeding van maximum X EUR aan de
4 BVBA?s. X EUR is immers het laatste bedrag dat werd uitbetaald door NV A
aan BVBA C, BVBA D en BVBA E. Daarenboven is voor de BVBA?s een groot deel
van hun inkomen weggevallen dat zij in het (recente) verleden ontvingen van
de vennootschappen die deel uitmaken van de G Groep.

IV.B. Creatie gestort kapitaal naar aanleiding van de inbreng van
certificaten

85. Volgens Artikel 184, eerste lid WIB 92 is het gestorte kapitaal het
deel van het maatschappelijk kapitaal dat werkelijk is gestort, in zover
geen verminderingen of terugbetalingen hebben plaatsgevonden. In het
kapitaal opgenomen andere winsten dan uitgekeerde winsten die als dusdanig
aan belasting werden onderworpen, worden niet als gestort kapitaal
aangemerkt.

86. Door elk van de 4 BVBA?s (m.n. BVBA B, BVBA C, BVBA D en BVBA E)
zullen aandelen uitgereikt worden ter vergoeding van de inbreng van 25 % van
de certificaten van aandelen van NV A.

87. Deze bijkomende aandelen vertegenwoordigen een deel van het
maatschappelijk kapitaal van elk van deze BVBA?s dat werkelijk is gestort.

IV.C. DBI-aftrek conform artikel 202 ev. WIB 92

  • STAK is fiscaal transparant

88. Ingevolge artikel 13, § 1 van de Wet van 15.07.1998 betreffende de
certificatie van effecten uitgegeven door handelsvennootschappen wordt de
houder van die certificaten (m.n. de 4 BVBA?s) en niet de emittent van die
certificaten beschouwd als aandeelhouder en als rechtstreeks rechthebbende
op dividenden indien de emittent de dividenden onmiddellijk en na aftrek van
enige kosten aan de houder van de certificaten betaalbaar stelt.

89. Uit de memorie van toelichting van de voormelde wet van 15.07.1998
blijkt dat met ?onmiddellijk? binnen de 15 dagen wordt bedoeld.

90. Uit de administratievoorwaarden van de STAK blijkt dat de STAK de
verplichting heeft elk dividend en elke andere uitkering op de door hem
verkregen aandelen bij NV A te innen en binnen een week na ontvangst het
dividend of de uitkering corresponderend met de certificaten uitgegeven voor
deze aandelen betaalbaar te stellen, zodat voldaan is aan de voorwaarde van
onmiddellijke doorstorting.

  • De voorwaarden inzake DBI-aftrek zijn in hoofde van de 4 BVBA?s
    vervuld

91. Aan de voorwaarden van artikel 202, § 2, eerste lid WIB 92 zal
voldaan zijn, vermits elk van de 4 BVBA?s in het kapitaal van NV A een
deelneming zal bezitten van ten minste 10 %, de aandelen NV A ten name van
elk van de 4 BVBA?s de aard van financiële vaste activa zullen hebben en
voor zover deze aandelen gedurende een ononderbroken periode van ten minste
één jaar in volle eigendom worden gehouden.

92. NV A is onderworpen aan een normaal belastingregime. De uitsluitingen
voorzien in artikel 203 WIB 92 zijn derhalve niet van toepassing.

Gelet op wat voorafgaat wordt er beslist dat:

93. de in het vooruitzicht gestelde verrichtingen niet speculatief zijn;

94. de geplande inbreng van certificaten van aandelen door mevrouw B,
mevrouw C, de heer D en de heer E een normale verrichting van beheer van een
privé-vermogen bestaande uit portefeuillewaarden uitmaakt, gelet op de
engagementen vermeld in punt 35, zodanig dat de naar aanleiding daarvan
verwezenlijkte meerwaarden niet als in artikel 90, 1° WIB 92 vermelde
diverse inkomsten moeten worden aangemerkt;

95. de in punt 35 aangegane engagementen niet geschonden zullen worden,
wanneer:

NV A een totale jaarlijkse dividenduitkering van X EUR zal uitkeren aan
de aandeelhouders natuurlijke personen van de 4 BVBA?s. Meer bepaald zal de
STAK de dividenden die zij van NV A ontvangt doorstorten aan de
certificaathouders, zijnde de 4 BVBA?s, die op hun beurt de
dividenduitkeringen zullen doorstorten aan hun aandeelhouders;

de 4 BVBA?s gedurende de 3-jarige periode na de inbreng een jaarlijkse
bestuurdersvergoeding van maximum X EUR ontvangen van NV A;

de 4 BVBA?s een verhoogd dividend zullen ontvangen van NV A, waarvan de
hoogte beperkt wordt tot het bedrag van de ?duurste? investering die door
één BVBA zal worden gedaan. Iedere BVBA zal dus een bedrag ter beschikking
krijgen dat overeenkomt met de ?duurste? investering (eventueel een
(directe) participatie) die één van de BVBA?s zal verrichten. Deze hogere
dividenduitkeringen zullen niet doorvloeien naar de aandeelhouders
natuurlijke personen. Iedere BVBA, die niet overgegaan is tot investeringen
ten belope van het totale bedrag aan uitgekeerde hogere dividenden binnen de
3-jarige periode, gaat daarbij het in punt 44 opgenomen engagement aan;

96. de inbrengen van certificaten van aandelen in hoofde van de 4 BVBA?s
fiscaal gestort kapitaal vertegenwoordigen in de zin van de artikels 18, 2°
en 184 WIB 92;

97. de dividenden die door NV A zullen worden uitgekeerd aan de 4 BVBA?s
in aanmerking komen voor de DBI-aftrek conform artikel 202 e.v. WIB 92, voor
zover de aandelen gedurende een ononderbroken periode van ten minste één
jaar in volle eigendom worden gehouden;

98. de beslissing slechts geldig is voor zover het verslag van de
bedrijfsrevisor die de waarde van de certificaten van aandelen NV A op het
ogenblik van de overdracht aan de BVBA?s weergeeft, zal worden overgemaakt
aan de DVB.

Ruling - Vennootschap optredend als maakloonwerker - Abnormaal of goedgunstig voordeel - Verrekenprijs - Vaste inrichting

March 1st, 2008 by Push Service

700.080

Voorafgaande beslissing nr. 700.080 dd. 18.12.2007


  
Vennootschapsbelasting


  
Vennootschap optredend als maakloonwerker


  
Abnormaal of goedgunstig voordeel


  
Verrekenprijs


  
Vaste inrichting

Samenvatting

De aanvraag strekt ertoe te vernemen of de vergoedingen die X zal
ontvangen van de buitenlandse groepsvennootschap Y voor de door haar
geleverde maakloonwerk-activiteiten marktconform zijn zoals bedoeld in
artikel 185 §2 WIB 92 en geen aanleiding geven tot het bestaan van enig
abnormaal of goedgunstig voordeel zoals bepaald in de artikelen 26, 79 en
207 WIB 92, alsmede te vernemen of deze activiteiten niet zouden resulteren
in het bestaan van een vaste inrichting in hoofde van Y in België.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe te vernemen of:

1.1. de voorgestelde vergoedingsmethode voor de maakloonwerkersacti