Print This Post

Circulaire - Fiche 281.10 - Vergoeding voor reiskosten voor woon-werkverkeer - Vrijgestelde vergoeding

ARREST B1 07/0822

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel dd. 08.05.2007

De Fiscale Koerier 2007/684

Administratieve boeten - Kwijtschelding

    Er kan slechts sprake zijn van een daadwerkelijke
spontane regularisatie als de belastingplichtige alle onregelmatigheden
rechtzet, annuleert en indien nodig door correcte documenten vervangt.

    Het feit dat de belastingplichtige in casu verkoos om om praktische
redenen honderden foutief opgestelde douanedocumenten niet te vervangen, was
voldoende om hem het voordeel van de vrijstellingsregeling van artikel 3 KB
nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de
proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de
toegevoegde waarde, te ontzeggen.

VOLLEDIGE TEKST

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL
35ste Kamer

Nr. 98

A.R. 2004/…/A
- Fiscale zaken: BTW
- op tegenspraak
- eindvonnis

Bijlage :
1 verzoekschrift
1 beschikking 747
3 conclusies

98/35/07

In zake van :

S., met exploitatiezetel in …; ingeschreven in het register der
ondernemingen onder het nummer … met aanstelling van … met zetel te …
als aansprakelijk vertegenwoordiger,
Eisende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. A. V. R., advocaat te … (ref.: F/00430 - AVR/DC),

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van
Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en
domeinen, in de persoon van heer ea. Inspecteur van het Centraal
BTW-Ontvangkantoor voor Buitenlandse belastingplichtigen, waarvan de
kantoren gevestigd zijn te … en van Mevrouw ea. Inspecteur, Diensthoofd
van het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse belastingplichtigen, dienst
controle, waarvan de kantoren gevestigd zijn te …
Verwerende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. F. M. loco A. D., advocaat te … (ref.: AD/BTW
146.52278),

° ° °

De rechtbank spreekt het navolgend vonnis uit :

° °

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare
terechtzitting van 20 februari 2006 waarna het debat werd gesloten. De
rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten:

  • het verzoekschrift dat namens eiseres op 8 juli 2004 in toepassing
    van artikel 1385 decies van het Gerechtelijk Wetboek ter griffie is
    neergelegd;
     
  • de beschikking tot regeling van conclusietermijn overeenkomstig
    artikel 747 § 2 van het gerechtelijk wetboek van 22 maart 2005,
     
  • de conclusie voor eiseres neergelegd respectievelijk ter griffie op
    22 november 2004 en 1 juli 2005;
     
  • de conclusie voor verweerster neergelegd op 9 mei 2005.

Bovendien heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen
ingezien.

° ° °

1. FEITEN

De activiteit van de groep S. in België omvatten het leveren en het
onderhouden van zogenaamde ‘fout tolerante systemen’. Deze servers moeten
blijven functioneren zelfs indien fouten (zoals stroompannes, interne
defecten,…) optreden. Om de ononderbroken werking van de computersystemen
te waarborgen houdt eiseres een voorraad van reserveonderdelen aan bij DHL
L. in Zavantem. Deze voorraad vormt een “pool” van reserveonderdelen die
door eiseres kan worden aangesproken, indien dat nodig blijkt bij de
herstelling van computer servers bij klanten in Europa en zelfs daarbuiten.

In de door eiseres verstrekte onderhoudsdiensten zijn verschillende S.
vennootschappen betrokken. De groep S. is sinds enkele jaren haar
activiteiten in Europa aan het rangschikken, waarbij sommige contracten
binnen de groep aan andere vennootschappen werden overgedragen.

Tot deze herstructurering behoorde de overdracht aan eiseres van de
onderhoudscontracten met de klanten en de levering van reserveonderdelen.
Begin 2003 nam eiseres de onderhoudscontracten met de klanten over van S.

De pool reserveonderdelen die werden gebruikt bij het onderhoud van de
systemen, waren aanvankelijk eigendom van S. C. Nadien van S. Met ingang van
1 maart 2002 werd besloten om deze voorraad voortaan aan te houden op naam
van eiseres.

Op 27 januari 2003 werd bij het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse
Belastingplichtigen een aangifte van aanvang van een werkzaamheid ingediend
ter aanvraag van een Belgisch BTW-identificatienummer. Dit werd evenwel niet
toegekend omdat eiseres het nodige bewijs moest verschaffen dat zij
belastbare handelingen in België zou verrichten en dit bewijs niet heeft
overgemaakt aan de administratie.

Bij brief van 5 juni 2003 vraagt de firma E. & Y. T. C. aan het
Hoofdbestuur van AOIF een regularisatie aan van de BTW verschuldigd op
invoeren van goederen op naam van de verkeerde geadresseerde, nl. de N.V. S.
B.T.W.- nummer BE … Deze invoeren werden in werkelijkheid verricht door de
vennootschap T. L. Ltd., die eigenaar was/werd van de goederen. De N.V. S.
is nooit eigenaar van de goederen geweest of geworden.

Daarbij werd ook, ten onrechte, de vergunning tot verlegging van heffing
gebruikt van de N.V. S. en de verschuldigde BTW werd nooit opgenomen in de
BTW-aangiften. De verlegging van heffing bij invoer is een systeem dat het
mogelijk maakt om af te wijken van de normale procedure bij de invoer van
goederen, nl. de betaling van de BTW aan het douanekantoor bij de invoer. De
administratie verleent onder bepaalde voorwaarden een vergunning om de
betaling van de BTW via de periode BTW-aangiften te doen ten einde een
belangrijke voorfinanciering van de BTW te vermijden.

De firma E. & Y. T. C. vraagt de Belgische Staat “een praktische
oplossing toe te staan en deze handelingen vooralsnog op te nemen in de
periodieke BTW-aangiften van de N.V. S., dan wel in de eerste periodieke
BTW-aangifte van S. Een strikte toepassing van artikel 6 van het koninklijk
besluit nr. 7 van 29 december 1992, zou ons er immers toe nopen honderden
invoerdocumenten te laten vernietigen en te hervalideren. Bovendien vragen
wij om het recht op aftrek van de te voldoene invoer BTW op een tolerante
manier te interpreteren en de NV S. toe te staan deze BTW in aftrek te
brengen, zelfs als zijn niet alle invoerdocumenten voorhanden”.

Bij brief van 18 september 2003 van de NV F. aan het Hoofdbestuur van het
AOIF wordt een aanvraag tot het bekomen van een vergunning tot verlegging
van de heffing ingediend in hoofde van S. De vraag om het verleden te
regulariseren zoals hiervoor vermeld wordt herhaald. Er wordt nogmaals
benadrukt dat hierdoor vermeden wordt dat de betreffende in- en
uitvoerdocumenten moeten worden geregulariseerd. (Zie stuk 2 bundel eiseres)

Bij brief van 9 januari 2004 van het Centraal BTW-kantoor voor
Buitenlandse Belastingplichtigen aan E. & Y. T. C. wordt de beslissing van
het Hoofdsbestuur AOIF meegedeeld. Na diverse besprekingen tussen beide
partijen wordt door de administratie toegestaan de toestand te regulariseren
op de meest praktische wijze maar zonder de Schatkist enige schade te
berokkenen. (Zie stuk 4 bundel eiseres)

Deze beslissing bepaalt dat de regularisatie moet worden uitgevoerd op de
volgende wijze:
- de foutieve aangiften voor het gebruik waarop de verleggingsregeling werd
ingeroepen moet niet worden verbeterd of vervangen;
- de firma S. Moet de BTW waarop de verleggingsregeling werd ingeroepen op
te nemen in rooster 61 van haar eerstvolgende periode BTW-aangifte. In de
mate dat die BTW aftrekbaar is mag dat bedrag ook worden opgenomen in
rooster 62 van diezelfde aangifte;
- bovendien moeten de foutieve aangiften voor het verbruik waarvoor de BTW
effectief aan de douane werd voldaan op het C.K.B.B. -dienst controle-
worden voorgelegd opdat deze met een aangepaste melding zouden kunnen worden
gevalideerd worden op naam van de werkelijke geadresseerde , de firma S.
Deze laatste kan vervolgens haar recht op aftrek uitoefenen op grond van de
aldus verbeterde aangifte ten verbruik;
- het vermelden van een verkeerde geadresseerde op de aangifte voor het
verbruik is een overtreding waarover, overeenkomstig artikel 70, §3 van het
BTW-Wetboek en tabel I, 3, B, gevoegd bij het koninklijk besluit nr. 41 van
30 januari 1987, een boete verschuldigd is gelijk aan de helft van de wegens
invoer verschuldigde BTW. Gelet op de bijzondere omstandigheden die deze
zaak omringen werd beslist dat de boete wordt verminderd tot 5 pct. van de
verschuldigde BTW, hetzij 182.780 euro. Dit is de boete die normaal wordt
opgelegd voor overtredingen bij invoer overeenkomstig tabel G, VIII, 5, A
van voornoemd KB 41;
- Alle invoeren die in de periode van 1 maart 2002 tot 23 september 2003
hebben plaatsgevonden moeten geschieden met effectieve betaling van de BTW
aan de douane. Overeenkomstig artikel 91, §1 van het BTW-wetboek zijn er
derhalve nalatigheidsinteresten verschuldigd over de invoeren waarvoor de
verlegging van de heffing werd ingeroepen en de BTW dus niet op de
voorgeschreven wijze werd voldaan.

Eiseres heeft deze praktische regeling aanvaard behalve wat de boete
betreft. Eiseres gaat niet akkoord met deze boete ingevolge de bijzondere
omstandigheden waarin zij zich bevond en het spontane karakter van haar
aanvraag tot regularisatie.

2. VORDERING

Eiseres verzoekt de rechtbank de administratieve boete van 182.780 euro
kwijt te schelden.

Verweerster concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. ONTVANKELIJKHEID

Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de
vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten
tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Deze is ontvankelijk.

4. BESPREKING TEN GRONDE

Een boete van 5% op het B.T.W.-bedrag en voor een bedrag van 182.780 euro
heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het
gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de
betwiste administratieve beslissing om een dergelijke boete op te leggen,
een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle
rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve
beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en
of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie
in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt
(Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279 arrest nr. 22/99).

Volle rechtsmacht houdt in dat de rechter rechtsmacht heeft om in het
licht van de concrete omstandigheden over te gaan tot behoud, vermindering
of kwijtschelding, d.w.z. de boete aan te passen aan de concrete
omstandigheden der zaak. De belastingplichtige moet de opgelegde sanctie
kunnen laten controleren door een rechterlijke instantie. De rechter mag
weliswaar geen loutere redenen van opportuniteit of billijkheid laten gelden
om de belastingplichtige te bevrijden van hem wettelijk opgelegde
verplichtingen (Cass. 502.1999, T.F.R., 1999, nr. 99/44, tweede middel).

Concreet is de rechtbank in elk geval van oordeel dat een administratieve
boete gepast is. Eén en ander impliceert dat de uiteindelijke verschuldigde
boete in verhouding moet staan met de concrete gegevens van de zaak.

Eiseres moet, tot bewijs van het tegendeel, worden geacht te goeder trouw
te hebben gehandeld. Met deze goede trouw heeft de administratie reeds
rekening gehouden door de boete van 10% naar 5% te herleiden wegens de
omstandigheden van de zaak.

Uit de brief van 5 juni 2003 blijkt dat eiseres zich wel degelijk bewust
was dat de invoeren niet op regelmatige wijze gebeurden:

Sinds de overdracht van de activiteiten van S. Srl. aan S. en de
stopzetting van de activiteiten van S. dienen de invoeren van goederen ons
inziens te gebeuren op naam van S. Deze wijziging werd door S. niet
onmiddellijk omgezet in de nodige acties en instructies.

Tevens weten wij dat de douane-administratie niet toestaat om geregeld
invoeren en uitvoeren van goederen te verrichten op naam van ondernemingen
die (nog) niet voor de Belgische BTW geïdentificeerd zijn. Bovendien stelt
het invoeren en uitvoeren van goederen op naam van S . praktische problemen
(o.a. gebruik van S.’ douane expediteurs douaneborg, facturatie naar stratus
systemen, enz…) in verband met de douane expediteur van S. in België
zolang deze geen verheffing van de invoer-BTW kan toepassen.

(…)

Deze handelingen werden tot nog toe niet aangegeven in de periodieke
BTW-aangiften van S. Ook de herziening van de borg die werd gesteld in het
kader van de vergunning tot verlegging van BTW bij invoer, heeft voor het
jaar 2002 nog niet plaatsgevonden, ondanks het aandringen van de
BTW-controle van Zaventem tot herziening dan wel schrapping van de
vergunning.”

Hieruit blijkt dat eiseres nonchalant heeft gehandeld en zich geen recht
op naïviteit kan aanmatigen. Zij dient de gevolgen te dragen van haar
minstens doorgedreven gebrek aan zorgvuldigheid bij het vervullen van de
opgelegde wettelijke verplichtingen.

De boete kan niet worden kwijtgescholden op grond van artikel 3 van het
koninklijk bestuur nr. 41. Artikel 3 bepaalt:

“Volledige kwijtschelding van de geldboeten wordt verleend wanneer een
schuldenaar zijn toestand spontaan rechtzet voor enige tussenkomst van een
fiscale administratie.”

In casu is er geen sprake van een spontane regularisatie voor enige
tussenkomst van de administratie. Door de brief van 6 juni 2003 vraagt
eiseres aan de administratie om een praktische oplossing omdat zij om
economische redenen de BTW-Wetgeving niet kan toepassen. De wijze van
regularisatie werd bepaald in samenwerking met de BTW-administratie.

Indien het een spontane rechtzetting door de belastingplichtige zou
betreffen van de begane overtredingen houdt dit in dat deze laatste,
overeenkomstig de ter zake geldende regels, de foutieve documenten moet
laten annuleren en vervangen door de nieuwe aangifte met betaling van de BTW
aan de ontvanger der douane, wat in deze niet is gebeurd.

Verweerster pleegt ook geen inbreuk op de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur. Verweerster heeft nooit het vertrouwen opgewekt dat er
geen boete zou verschuldigd zijn. Integendeel, in haar beslissing werd de
boete gemotiveerd.

Rekening houdend met de feitelijke elementen, de zwaarwichtigheid van de
feiten, de omvang van de gepleegde overtredingen en het ontradend effect dat
de opgelegde geldboete moet hebben, komt het bedrag van de geldboete gepast
voor.

De vordering is ongegrond

° ° °

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het
gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak;

Verklaart de vordering ontvankelijk maar ongegrond;

Veroordeelt eiseres tot betaling van de gedingkosten, in hoofde van
verweerster begroot op ? 364,40 rechtsplegingsvergoeding en in hoofde van
eiseres begroot op ? 364,40 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 35ste
kamer van de Rechtbank van eerste aanleeg te Brussel, op 8 mei 2007

Waar aanwezig waren en zitting namen:
Mevrouw N. S.: rechter
Mevrouw I. D. : griffier.