Print This Post

Circulaire fiscale bemiddelingsdienst

CIRC 29.01.08/1

Circulaire nr. AFZ/2007-0576 (AFZ 1/2008) dd. 29.01.2008

OPDRACHT EN BEVOEGDHEDEN VAN DE FISCALE BEMIDDELINGSDIENST

BEHANDELING EN PROCEDURELE GEVOLGEN VAN EEN AANVRAAG TOT BEMIDDELING

AANVRAGEN TOT BEMIDDELING DIE SPECIFIEK VERMELD ZIJN IN DE VERSCHILLENDE FISCALE WETBOEKEN

Eerste commentaar op de wet van 25 april 2007 houdende diverse
bepalingen (IV), Titel VII, Hoofdstuk 5 en het koninklijk besluit van 9 mei
2007 tot uitvoering van Hoofdstuk 5 van Titel VII van de wet van 25 april
2007 houdende diverse bepalingen (IV).

Aan alle ambtenaren van de Administratie van fiscale zaken,
van de Administratie van de ondernemings- en
inkomensfiscaliteit, van de Administratie der directe
belastingen, van de Administratie van de invordering, van de
Administratie van de btw, registratie en domeinen, van de
Administratie van het kadaster, van de Administratie der douane
en accijnzen en van de Administratie van de bijzondere
belastinginspectie.

I. INLEIDING

    1. De wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV),
Titel VII, Hoofdstuk 5 (B.S. van 8 mei 2007) (zie bijlage 1),
hierna “de wet” genoemd, en het koninklijk besluit van 9 mei
2007 tot uitvoering van Hoofdstuk 5 van Titel VII van de wet van
25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV) (B.S. 24 mei
2007) (zie bijlage 2), hierna “het uitvoeringsbesluit” genoemd,
heeft een fiscale bemiddelingsdienst opgericht bij de Federale
Overheidsdienst Financiën. Deze wet en zijn uitvoeringsbesluit
treden in werking op 1 mei 2007 (zie nochtans nr. 11).

    De fiscale bemiddelingsdienst is geplaatst onder de leiding
van een college samengesteld uit ten minste drie en ten hoogste
vijf leden, hierna “fiscaal bemiddelaars” genoemd.

    Dit college, eventueel met uitzondering van de voorzitter, is
samengesteld uit een gelijk aantal leden die respectievelijk
behoren tot de Nederlandse en Franse taalrol.

    2. Deze circulaire heeft tot doel een eerste commentaar op
Hoofdstuk 5 van de wet en zijn uitvoeringsbesluit te formuleren.

II. OPDRACHT VAN DE FISCALE BEMIDDELINGSDIENST

    3. Aansluitend op de voortdurend groeiende complexiteit van
de fiscale wetgeving en op de noodzaak om belastingplichtigen
akkoord te laten gaan met de heffingen waaraan ze onderworpen
zijn, beoogt de tussenkomst van de fiscale bemiddelingsdienst
een vermindering van de gerechtelijke geschillen en het
vergemakkelijken van de inning van de fiscale schulden door de
Schatkist.

    4. Krachtens de verdeling van de fiscale bevoegdheden tussen
de federale Staat en de Gewesten, draagt de fiscale
bemiddelingsdienst de materiële bevoegdheid voor moeilijkheden
die rijzen naar aanleiding van de toepassing van de fiscale
wetten waarvoor de administraties van de FOD Financiën bevoegd
zijn of de dienst verzekeren. In concreto, strekt deze
bevoegdheid zich uit tot de belastingen en taksen vermeld in de
wet, en dit op het volledige grondgebied van het Koninkrijk, met
uitzondering van het Vlaamse gewest wat de onroerende
voorheffing betreft.

    5. Meer specifiek, heeft de fiscale bemiddelingsdienst een
dubbele opdracht die gedefinieerd is in artikel 116 van de wet,
zijnde:

het onderzoeken van de hem in het raam van
Hoofdstuk 5 van de wet voorgelegde aanvragen tot
bemiddeling, het trachten de standpunten van de partijen
te verzoenen en het zenden aan deze partijen van een
bemiddelingsverslag;

het richten, desgevallend, van aanbevelingen aan
de Voorzitter van het Directiecomité van de FOD
Financiën, in het bijzonder met betrekking tot
bestuurshandelingen of de bestuurlijke werking die in
strijd zijn met de principes van behoorlijk bestuur en
de wetten en verordeningen.

    6. Verre van een algemene bevoegdheid inzake het onderzoek
van klachten over de werkzaamheden of de werking van de
administratie toe te vertrouwen aan deze dienst, voorziet de wet
slechts zijn tussenkomst bij de aanvragen tot bemiddeling die
specifiek vermeld zijn in de verschillende fiscale wetboeken
(art. 116, § 1, 1ste lid; zie nr. 18 en volgende).

    7. In het kader van zijn opdracht, richt de dienst elk jaar
een activiteitenverslag aan de Minister van Financiën door
tussenkomst van de Voorzitter van het Directiecomité van de FOD
Financiën. Deze verslagen kunnen nuttig geachte aanbevelingen
bevatten die de dienst heeft gericht aan de Voorzitter van het
Directiecomité van de FOD Financiën en vermelden de eventuele
moeilijkheden die hij ondervindt bij de uitoefening van zijn
ambt.

    8. De fiscale bemiddelingsdienst oefent zijn opdracht uit
zonder afbreuk te doen aan de bij de wet van 22 maart 1995 tot
instelling van federale ombudsmannen bedoelde bevoegdheden van
de federale ombudsmannen.

    9. Het onderzoek van de aanvragen tot bemiddeling gebeurt in
alle objectiviteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Om de
neutraliteit van hun tussenkomst te verzekeren, ontvangen de
fiscaal bemiddelaars, binnen de grenzen van hun bevoegdheid, van
geen enkele overheid instructies en kunnen zij niet van hun ambt
worden ontheven wegens daden die zij stellen in het raam van hun
ambtsvervulling.

III. BEVOEGDHEDEN VAN DE FISCALE BEMIDDELINGSDIENST

    10. In de uitvoering van zijn opdracht, kan de fiscale
bemiddelingsdienst:

alle inlichtingen inwinnen die hij nodig acht;
alle betrokken personen horen;
en ter plaatse alle vaststellingen doen.

IV. BEHANDELING VAN DE AANVRAGEN TOT BEMIDDELING

    11. Iedere belanghebbende kan vanaf 1 november 2007 een
aanvraag tot bemiddeling indienen ofwel schriftelijk, per fax of
per e-mail, ofwel mondeling tijdens de permanentie georganiseerd
door de dienst. Wanneer de bemiddeling mondeling aangevraagd
wordt, wordt deze aanvraag op papier gezet door de dienst.

    12. De aanvragen tot bemiddeling maken het voorwerp uit van
een ontvangstbewijs uitgereikt aan de aanvrager binnen een
termijn van vijf werkdagen te rekenen vanaf de datum van
ontvangst van de aanvraag. In geval van een mondelinge aanvraag,
wordt het ontvangstbewijs onmiddellijk uitgereikt.

    13. De behandeling van een aanvraag tot bemiddeling kan
geweigerd worden:

indien de aanvraag duidelijk ongegrond is;
indien de aanvrager duidelijk geen stappen bij de
betrokken bevoegde administratieve overheid heeft
ondernomen teneinde de standpunten met elkaar te
verzoenen.

    14. De fiscale bemiddelingsdienst deelt de aanvrager ten
laatste binnen de vijftien werkdagen vanaf de ontvangst van de
aanvraag tot bemiddeling zijn beslissing mee om deze aanvraag al
dan niet te behandelen of ze aan een andere ombudsman door te
zenden. De weigering om een klacht te behandelen, wordt
gemotiveerd.

    15. De fiscale bemiddelingsdienst stelt de betrokken fiscale
dienst in kennis van de aanvraag tot bemiddeling die hij
voornemens is te behandelen.

    16. De opdracht van de fiscale bemiddelingsdienst is niet het
interpreteren van de wet of het oordelen over de interpretatie
gegeven door de administratie in haar circulaires en
instructies. Het bemiddelingsverslag dat verzonden wordt aan de
partijen, kan, desgevallend, slechts de uitéénlopende
standpunten van de partijen vaststellen.

V. PROCEDURELE GEVOLGEN VAN EEN AANVRAAG TOT
BEMIDDELING EN VAN DE TUSSENKOMST VAN DE
BEMIDDELINGSDIENST

    17. Door de partijen te helpen een minnelijk akkoord te
bereiken, heeft de tussenkomst van de bemiddelingsdienst ook als
doel de fiscale wetgeving transparant te maken en onbegrip uit
de wereld te helpen. Deze tussenkomst heeft niet de kenmerken
van een administratief orgaan. Twee procedurele effecten zijn
dan ook voorzien:

enerzijds, de afwezigheid van schorsend en
stuitend effect van de indiening en het onderzoek van
een aanvraag tot bemiddeling;
en anderzijds, de afwezigheid van administratief
en gerechtelijk beroep tegen beslissingen betreffende de
ontvankelijkheid en tegen de bemiddelingsverslagen.

VI. AANVRAGEN TOT BEMIDDELING IN HET WETBOEK VAN DE
BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE

    18. De artikelen 117 en 118 van de wet hebben de artikelen
84quater (aanvraag tot bemiddeling in geval van een blijvend
meningsverschil over de taxatie) en 85ter (aanvraag tot
bemiddeling in geval van invordering), ingevoegd in het Wetboek
van de belasting over de toegevoegde waarde.

    Aanvraag tot bemiddeling in geval van een blijvend
meningsverschil over de taxatie.

    19. Op het vlak van taxatie, is de aanvraag tot bemiddeling
slechts mogelijk in het geval van een blijvend meningsverschil,
dit wil zeggen na het ogenblik waarop de belastingplichtige alle
discussiemogelijkheden met de taxatieambtenaar heeft uitgeput en
tijdens het beroep ingesteld op basis van artikel 84 W.B.T.W.
bij de Minister van Financiën of de door hem gedelegeerde
ambtenaar.

    20. Teneinde te vermijden dat interferentie tussen de
bemiddeling en het gerechtelijk beroep of de inwerkingstelling
van een quasi-gerechtelijke procedure optreedt, en te vermijden
dat de administratieve overheid haar beslissing tot in het
oneindige herziet, heeft artikel 84quater, § 2, W.B.T.W. twee
procedureregels ingevoerd, de ene met betrekking tot de
ontvankelijkheid van de aanvraag tot bemiddeling, en de andere
met betrekking tot de stopzetting van de tussenkomst van de
fiscale bemiddelingsdienst.

    21. Zo is de aanvraag tot bemiddeling onontvankelijk indien,
voorafgaandelijk aan deze aanvraag, de schuldenaar verzet heeft
aangetekend tegen het dwangbevel met toepassing van artikel 85
W.B.T.W., ofwel een deskundige schatting met toepassing van
artikel 59, § 2, gevorderd heeft om de normale waarde van de
goederen en de diensten die het voorwerp uitmaken van het
meningsverschil te bepalen, ofwel er reeds uitspraak werd gedaan
over de betwisting door de Minister van Financiën of de door hem
gedelegeerde ambtenaar.

    22. Anderzijds, wanneer, vóór de kennisgeving van het
bemiddelingsverslag, de schuldenaar verzet aantekent tegen het
dwangbevel, de deskundige schatting wordt gevorderd met
toepassing van artikel 59, § 2, of er over de betwisting
uitspraak werd gedaan, is de fiscale bemiddelingsdienst ontheven
van zijn bevoegdheid.

    23. Artikel 84quater, § 3, laat de administratieve overheid
uitdrukkelijk toe om in de mate dat zij het gerechtvaardigd
acht, het bedrag van de in het dwangbevel gevestigde belasting
of boeten naar beneden te herzien voorzover deze herziening geen
vrijstelling of vermindering van belasting inhoudt. Daarentegen
is het niet toegelaten om een aanvullende belasting te vestigen.

Aanvraag tot bemiddeling in geval van invordering

    24. Artikel 85ter W.B.T.W., ingevoegd door artikel 118 van de
wet, laat aan de schuldenaar toe om een aanvraag tot bemiddeling
in te dienen in geval van betwisting met de ontvanger belast met
de invordering van zijn fiscale schuld.

    25. De schuldenaar kan eveneens de tussenkomst van de fiscale
bemiddelingsdienst vragen in geval er een betwisting ontstaat
naar aanleiding van de toepassing van de wettelijke bepalingen
inzake de vrijstelling van intresten of inzake het onbeperkt
uitstel van de invordering.

VII. AANVRAGEN TOT BEMIDDELING IN HET WETBOEK VAN DE
INKOMSTENBELASTINGEN 1992

    26. De artikelen 119 tot 121 van de wet hebben in het Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992 de artikelen 376quinquies
(aanvraag tot bemiddeling in geval van bezwaar ingediend bij de
directeur der belastingen), 399bis (aanvraag tot bemiddeling in
geval van invordering) en 501bis (aanvraag tot bemiddeling in
geval van een blijvend meningsverschil over het kadastraal
inkomen) ingevoegd.

Aanvraag tot bemiddeling in geval van bezwaar ingediend bij
de directeur der belastingen

    27. De belastingschuldige, alsmede zijn echtgenoot op wiens
goederen de aanslag wordt ingevorderd, kan, ingeval een
bezwaarschrift werd ingediend conform de artikelen 366 en
volgende WIB 92, een aanvraag tot bemiddeling indienen bij de
fiscale bemiddelingsdienst.

    28. Zoals inzake btw, voorziet artikel 376quinquies
procedureregels om te vermijden dat interferentie tussen de
bemiddeling en het gerechtelijk beroep optreedt en om te
vermijden dat de gewestelijke directeur zijn beslissing moet
herzien.

    29. Zo is de aanvraag tot bemiddeling onontvankelijk wanneer
de belastingschuldige of zijn echtgenoot vooraf een vordering
bij de rechtbank van eerste aanleg heeft ingesteld of wanneer er
reeds uitspraak werd gedaan over het bezwaar. Daarentegen,
wanneer, vóór de kennisgeving van het bemiddelingsverslag, de
belastingschuldige of zijn echtgenoot een vordering bij de
rechtbank van eerste aanleg heeft ingesteld of er uitspraak werd
gedaan over het bezwaar, is de fiscale bemiddelingsdienst
ontheven van zijn bevoegdheid.

    30. Complementair aan de administratieve bezwaarprocedure,
wijzigt de bemiddeling niets aan de regels die deze procedure
beheersen. Zo kan, ten gevolge van het bemiddelingsverslag, de
directeursbeslissing over het bezwaar geen aanvullende aanslag
vestigen, noch een compensatie verwezenlijken tussen een
rechtmatig bevonden ontheffing en een ontoereikendheid van
aanslag die vastgesteld zou zijn.

Aanvraag tot bemiddeling in geval van invordering

    31. Artikel 399bis WIB 92 laat aan de belastingschuldige,
alsmede aan zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt
ingevorderd, toe om een aanvraag tot bemiddeling in te dienen in
geval van betwisting met de ontvanger belast met de invordering
van zijn fiscale schuld.

    32. De belastingschuldige, alsmede zijn echtgenoot, kan
eveneens de tussenkomst van de fiscale bemiddelingsdienst vragen
in geval er een betwisting ontstaat naar aanleiding van de
toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de vrijstelling
van intresten of inzake het onbeperkt uitstel van de
invordering.

Aanvraag tot bemiddeling in geval van een blijvend
meningsverschil over het kadastraal inkomen

    33. Het nieuwe artikel 501bis biedt de mogelijkheid aan de
belastingplichtige die een geldig bezwaar heeft ingediend tegen
het kadastraal inkomen dat hem werd betekend, om fiscale
bemiddeling aan te vragen wanneer, na onderhandelingen, de
onenigheid tussen hem en de administratie blijft bestaan.

    34. De huidige procedure voor het indienen van een bezwaar
tegen het kadastraal inkomen schrijft voor dat, in geval van
niet-akkoord, de ambtenaar onmiddellijk na de onderhandelingen
aanvangt met het opstellen van een proces-verbaal van
niet-akkoord, in aanwezigheid van de bezwaarindiener. Indien de
onderhandelingen evenwel niet zouden leiden tot een akkoord over
de hoogte van het betekend kadastraal inkomen, zal de
bezwaarindiener moeten ingelicht worden over de mogelijkheid om
een tussenkomst van de fiscale bemiddelingsdienst te vragen.

    35. Als hij die tussenkomst niet vraagt, zal het
proces-verbaal van niet-akkoord worden opgesteld met vermelding
dat de bezwaarindiener geen gebruik wenst te maken van de
mogelijkheid geboden in artikel 501bis.

    36. In geval van een aanvraag tot bemiddeling, wordt geen
proces-verbaal van niet-akkoord opgesteld, althans niet
onmiddellijk. De aanvraag tot bemiddeling maakt het voorwerp uit
van een afzonderlijk document. Dit gedagtekend document bevat de
datum van het aanvankelijke bezwaar en vermeldt dat het
voortspruit uit de onderhandelingen bedoeld in artikel 501bis
WIB 92 en dat, indien de bemiddeling niet slaagt, de
bezwaarindiener opnieuw zal worden opgeroepen met het oog op de
opstelling van het in § 2 van artikel 501bis voorziene
proces-verbaal. Na de overhandiging van een kopie aan de
bezwaarindiener, zendt de onderzoekende ambtenaar per fax of
elektronische post het door de twee partijen ondertekend
document aan de bevoegde dienst.

    37. Bij een vruchteloze bemiddeling, zal de onderzoekende
ambtenaar zo snel mogelijk de bezwaarindiener oproepen om de
behandeling van zijn bezwaar verder te zetten en desgevallend
het proces-verbaal van niet-akkoord op te stellen. De procedure
blijft onveranderd. Maar de onderzoekende ambtenaar moet er over
waken dat het proces-verbaal tot stand komt binnen de redelijke
termijn, te weten tijdens de 6 maanden volgend op de indiening
van het bezwaarschrift.

    38. Als de bewaarindiener niet komt opdagen voor de
onderhandelingen, blijft de huidige procedure van kracht.

VIII. AANVRAGEN TOT BEMIDDELING IN HET WETBOEK VAN DE
MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE BELASTINGEN

    39. Artikel 123 van de wet brengt wijzigingen aan in artikel
2 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen
gelijkgestelde belastingen teneinde de artikelen 376quinquies en
399bis WIB 92 van toepassing te maken op deze belastingen.
Bijgevolg kan de belastingschuldige, alsmede zijn echtgenoot op
wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, een aanvraag tot
bemiddeling indienen in geval van bezwaar (zie nrs. 27 tot 30)
en in geval van betwisting met de ontvanger belast met de
invordering van zijn belastingschuld (zie nrs. 31 en 32).

IX. AANVRAGEN TOT BEMIDDELING IN HET WETBOEK DER
REGISTRATIE-, HYPOTHEEK- EN GRIFFIERECHTEN

    40. Artikel 124 van de wet heeft artikel 219 van het Wetboek
der Registratierechten gewijzigd.

    41. De wijzigingen aan artikel 219 van het W. Reg. hebben in
de eerste plaats tot doel in dat Wetboek de mogelijkheid in te
schrijven om beroep te doen op de fiscale bemiddelingsdienst.
Die bemiddeling kan gevraagd worden zolang het geschil tussen de
belastingplichtige en de ontvanger der registratierechten zich
nog in de informele fase bevindt. Dit betekent met andere
woorden dat de tussenkomst van de fiscale bemiddelingsdienst kan
gevraagd worden zolang de belastingplichtige geen verzet heeft
gedaan tegen het in het kader van de betwisting uitgevaardigde
dwangbevel. Met dat verzet wordt immers een einde gemaakt aan de
administratieve fase van het geschil en wordt het voor
beslechting aan de rechterlijke macht voorgelegd.

    42. Vooraleer beroep te kunnen doen op de bemiddeling, moet
de belastingplichtige evenwel gepoogd hebben het geschil met de
administratie op te lossen via op ernstige wijze gevoerde
onderhandelingen. Er moet vooreerst een werkelijke moeilijkheid
zijn en vervolgens moet die moeilijkheid zijn blijven bestaan na
onderhandelingen met de administratie. Indien de fiscale
bemiddelingsdienst vaststelt dat hij verzocht wordt om tussen te
komen vooraleer de belastingplichtige ook maar enige moeite
gedaan heeft om de moeilijkheid in samenspraak met de
administratie op te lossen, kan hij weigeren op het verzoek tot
tussenkomst in te gaan.

    43. Het spreekt voor zich dat dergelijke bemiddeling geen nut
meer heeft wanneer de formele procedure van de controleschatting
wordt ingesteld of wanneer het geschil voor beslechting aan de
rechter wordt voorgelegd.

    44. Er wordt aan herinnerd dat de meeste registratierechten
gewestelijke belastingen zijn. Voor het bekomen of behouden van
bepaalde vrijstellingen en verminderingen op het vlak van
gewestelijke belastingen, wordt door de Gewesten het bekomen van
bepaalde attesten, die door de Gewesten zelf worden afgeleverd,
vereist. De fiscale bemiddelingsdienst komt niet tussen in
geschillen betreffende de aflevering van die attesten.

X. AANVRAGEN TOT BEMIDDELING IN HET WETBOEK DER
SUCCESSIERECHTEN

    45. Artikel 125 van de wet heeft artikel 141 van het Wetboek
der Successierechten gewijzigd.

    46. Wat geldt voor de registratierechten (zie supra) i.v.m.
de fiscale bemiddeling, geldt, mutatis mutandis, ook voor de
successierechten.

XI. AANVRAGEN TOT BEMIDDELING IN HET WETBOEK DIVERSE
RECHTEN EN TAKSEN

    47. Artikel 126 van de wet heeft artikel 2024 van het Wetboek
diverse rechten en taksen gewijzigd.

    48. De diversen rechten en taksen zijn geen gewestelijke
belastingen. Voor het overige, wat geldt voor de
registratierechten (zie supra) i.v.m. de fiscale bemiddeling,
geldt ook, mutatis mutandis, voor de diverse rechten en taksen.

XII. AANVRAGEN TOT BEMIDDELING IN DE ALGEMENE WET
INZAKE DOUANE EN ACCIJNZEN VAN 18 JULI 1977

    49. De artikelen 127 tot 130 van de wet hebben in de Algemene
wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977 een nieuw
Hoofdstuk XXIIIbis ingevoegd, dat de artikelen 219bis, 219ter en
219quater omvat, betreffende de aanvragen tot bemiddeling in
verband met beschikkingen waartegen een administratief beroep
werd ingediend.

    50. Ieder persoon die een regelmatig administratief beroep
tegen een beschikking van de gewestelijk directeur of een
ambtenaar met een gelijkwaardige graad instelt, kan een aanvraag
tot bemiddeling betreffende die beschikking indienen bij de
fiscale bemiddelingsdienst.

    51. Op het gebied van douane en accijnzen, betreffen de
beschikkingen waartegen een administratief beroep wordt
ingediend, niet enkel beschikkingen met betrekking tot nationale
belastingen en eigen middelen van de Europese Gemeenschap, maar
ook beschikkingen die de persoon rechtstreeks en individueel
raken en geen rechtstreeks verband houden met belastingen (bv.
verlenen, weigeren, intrekken van allerlei vergunningen). De
aanvraag tot bemiddeling wordt dus ingediend met inachtneming
van de geldende nationale en communautaire wetgevingen. In het
bijzonder wijzigt de bemiddeling niets aan de
proceduremaatregelen van het administratief beroep voorzien in
de Algemene wet inzake douane en accijnzen (artikelen 214 tot en
met 219), de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek (artikel
1385decies en artikel 1385undecies) en het Communautair
Douanewetboek (artikelen 243 tot en met 246).

    52. Het administratief beroep kan op grond van artikel 213
van de Algemene wet inzake douane en accijnzen geen betrekking
hebben op beschikkingen getroffen met toepassing van artikel
263, d. w. z. in verband met transacties waarbij de
Administratie der douane en accijnzen een dading sluit met de
overtreder met het oog op het vermijden van strafrechtelijke
vervolging.

    53. Zoals inzake btw, voorziet artikel 219ter procedureregels
om te vermijden dat de bemiddeling met het gerechtelijk beroep
interfereert of de procedure van het administratief beroep en de
invordering van de fiscale schulden (nationale of eigen middelen
van de Europese Gemeenschap) vertraagt.

    54. Zo is de aanvraag tot bemiddeling onontvankelijk wanneer
de aanvrager voorafgaandelijk een vordering bij de rechtbank van
eerste aanleg heeft aanhangig gemaakt of wanneer over het
administratief beroep bij toepassing van artikel 219 een
beslissing werd getroffen. Daarentegen, wanneer, vóór de
kennisgeving van het bemiddelingsverslag, de belastingschuldige
een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg heeft aanhangig
gemaakt of wanneer over het administratief beroep bij toepassing
van artikel 219 een beslissing werd getroffen, is de fiscale
bemiddelingsdienst ontheven van zijn bevoegdheid.

    55. De Administratie der douane en accijnzen ziet in het
bijzonder toe op de correcte toepassing van deze bepaling die
haar toelaat om haar communautaire verplichtingen na te komen.
Hoe dan ook, mag de bemiddeling nooit tot gevolg hebben dat de
terbeschikkingstelling van de eigen middelen aan het
communautaire budget wordt vertraagd.

    56. Het verslag van de bemiddelaar heeft geen dwingend
karakter tegenover de autoriteit die beslist over het
administratief beroep, maar laat deze toe om het standpunt en de
situatie van de belanghebbende beter te begrijpen. De
Administratie neemt kennis van het bemiddelingsverslag en houdt
er rekening mee in de motivering van de beslissing over het
administratief beroep.

    57. Artikel 219quater heeft tot doel artikel 244 van het
Communautair Douanewetboek na te leven dat bepaalt dat het
instellen van een administratief beroep de tenuitvoerlegging van
de aangevochten beschikking niet schorst.

    58. De Administratie kan de tenuitvoerlegging van de
aangevochten beschikking evenwel geheel of gedeeltelijk
opschorten indien zij gegronde redenen heeft om aan de
overeenstemming van die beschikking met de douanewetgeving te
twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade
dreigt te lijden. Indien de aangevochten beschikking tot de
toepassing van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer
leidt, dient ingeval van opschorting van de tenuitvoerlegging
van deze beschikking een zekerheid te bestaan of te worden
gesteld.

XIII. PRAKTISCHE REGELS MET BETREKKING TOT DE
TUSSENKOMST VAN DE FISCALE BEMIDDELINGSDIENST

    59. Artikel 7 van het uitvoeringsbesluit voorziet dat de
fiscaal bemiddelaars een reglement van interne orde moeten
opstellen en dat dit reglement moet worden goedgekeurd door de
Minister van Financiën en moet worden bekend gemaakt in het
Belgisch Staatsblad. De memorie van toelichting van de wet
voorziet ook dat een protocol de samenwerking tussen de fiscale
bemiddelingsdienst en de administratie zal regelen.

    60. De praktische regels met betrekking tot de tussenkomst
van de fiscale bemiddelingsdienst zullen opgenomen worden in
deze documenten.

XIV. INWERKINGTREDING

    61. Deze circulaire is onmiddellijk van toepassing.

NAMENS DE MINISTER:
De adjunct-administrateur-generaal,

Paul NECKEBROECK

Bijlage 1

25 APRIL 2007. - Wet houdende diverse bepalingen (IV)

TITEL VII. - Financiën

HOOFDSTUK V. - Bemiddeling op
fiscaal gebied

Afdeling 1. - De fiscale bemiddelingsdienst

Art. 116. § 1. De fiscale bemiddelingsdienst onderzoekt de hem in het
raam van dit hoofdstuk voorgelegde aanvragen tot bemiddeling, in alle
objectiviteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid en met inachtneming van
de wet; hij streeft ernaar de standpunten van de partijen te verzoenen en
zendt hen een bemiddelingsverslag.

De fiscale bemiddelingsdienst weigert een aanvraag tot bemiddeling te
behandelen:

1° indien de aanvraag duidelijk ongegrond is;

2° indien de aanvrager duidelijk geen stappen bij de betrokken bevoegde
administratieve overheid heeft ondernomen teneinde de standpunten met elkaar
te verzoenen.

De indiening en het onderzoek van een aanvraag tot bemiddeling hebben
geen enkele schorsende of stuitende werking.

Tegen de bemiddelingsverslagen en de beslissingen betreffende de
ontvankelijkheid kan geen administratief of een gerechtelijk beroep worden
ingesteld.

§ 2. De fiscale bemiddelingsdienst kan ook aanbevelingen richten aan de
voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Financiën,
in het bijzonder met betrekking tot bestuurshandelingen of de bestuurlijke
werking die in strijd zijn met de principes van behoorlijk bestuur en de
wetten en verordeningen.

§ 3. In de uitvoering van zijn opdrachten kan de fiscale
bemiddelingsdienst:

1° alle inlichtingen inwinnen die hij nodig acht;

2° alle betrokken personen horen;

3° en ter plaatse alle vaststellingen doen.

§ 4. De fiscale bemiddelingsdienst oefent zijn in dit hoofdstuk
omschreven opdracht uit zonder afbreuk te doen aan de bij de wet van 22
maart 1995 tot instelling van federale ombudsmannen bedoelde bevoegdheden
van de federale ombudsmannen.

§ 5. De Koning, bij een in een besluit vastgesteld na overleg in de
Ministerraad:

- richt de dienst met als naam “fiscale bemiddelingsdienst” op bij de
Federale Overheidsdienst Financiën en bepaalt de werkingswijze ervan;

- benoemt, na advies van het directiecomité, de bestuurders van de
bovenvermelde dienst;

- bepaalt de nadere regels voor de toepassing van dit hoofdstuk.

Afdeling 2. - Wijziging van het Wetboek van de
belasting over de toegevoegde waarde

Art. 117. In het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
wordt een artikel 84quater ingevoegd, luidende:

Art. 84quater. § 1. Ingeval een blijvend meningsverschil over de taxatie
gebracht wordt voor de minister van Financiën of de door hem gemachtigde
ambtenaar, kan de schuldenaar van de belasting een aanvraag tot bemiddeling
indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld bij artikel 116 van de
wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV).

§ 2. De aanvraag tot bemiddeling is onontvankelijk indien de schuldenaar
van de belasting vooraf verzet heeft aangetekend tegen het dwangbevel,
wanneer de deskundige schatting gevorderd werd met toepassing van artikel
59, § 2, of wanneer reeds uitspraak werd gedaan over de betwisting.

Wanneer de schuldenaar van de belasting verzet aantekent tegen het
dwangbevel, wanneer de deskundige schatting gevorderd is met toepassing van
artikel 59, § 2, of wanneer over de betwisting uitspraak werd gedaan, vóór
de kennisgeving van het bemiddelingsverslag, is de fiscale
bemiddelingsdienst ontheven van zijn bevoegdheid.

§ 3. Ingevolge het bemiddelingsverslag kan de administratieve beslissing
het bedrag van de fiscale schuld aanpassen, voor zover dit geen vrijstelling
of vermindering van belasting inhoudt. Het is evenwel niet toegelaten een
aanvullende belasting te vestigen.”.

Art. 118. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel
85ter ingevoegd, luidende:

“Art. 85ter. In geval van betwisting met de ontvanger die belast is met
de invordering van zijn fiscale schuld, kan de belastingschuldige een
aanvraag tot bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld
bij artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen
(IV).”.

Afdeling 3. - Wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
1992

Art. 119. In het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt een
artikel 376quinquies ingevoegd, luidende:

“Art. 376quinquies. § 1. Ingeval een bezwaarschrift werd ingediend bij de
directeur der belastingen, kan de belastingschuldige, evenals zijn
echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, een aanvraag tot
bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld bij artikel
116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV).

§ 2. De aanvraag tot bemiddeling is onontvankelijk wanneer de
belastingschuldige vooraf een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg
heeft ingesteld of wanneer reeds uitspraak werd gedaan over het bezwaar.

Wanneer de belastingschuldige een vordering bij de rechtbank van eerste
aanleg heeft ingesteld of wanneer reeds uitspraak werd gedaan over het
bezwaar, vóór de kennisgeving van het bemiddelingsverslag, is de fiscale
bemiddelingsdienst ontheven van zijn bevoegdheid.”.

Art. 120. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel
399bis ingevoegd, luidende:

“Art. 399bis. In geval van betwisting met de ontvanger belast met de
invordering van zijn fiscale schuld, kan de belastingschuldige, evenals zijn
echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, een aanvraag tot
bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld bij artikel
116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV).”.

Art. 121. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 501bis ingevoegd
luidende:

“Art. 501bis. - § 1. Indien in de loop van de behandeling van het bezwaar
en na onderhandelingen de onenigheid blijft bestaan, kan de bezwaarindiener,
via de tussenkomst van de onderzoekende ambtenaar, een aanvraag om
bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld bij artikel
116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV).

Wanneer het proces-verbaal van niet-akkoord, dat opgesteld is met het oog
op het vorderen van de scheidsrechterlijke beslissing bedoeld in § 2 aan de
belastingplichtige werd betekend vóór de kennisgeving van het
bemiddelingsverslag, is de fiscale bemiddelingsdienst ontheven van zijn
bevoegdheid.

§ 2. Indien de onderzoekende ambtenaar en de bezwaarindiener, ondanks de
eventuele bemiddeling, geen akkoord bereiken over het kadastraal inkomen dat
aan het onroerend goed moet worden toegekend, wordt een proces-verbaal van
niet-akkoord opgesteld en hebben de onderzoekende ambtenaar en de
bezwaarindiener de mogelijkheid een scheidsrechterlijke beslissing te
vorderen teneinde het bedoelde kadastraal inkomen vast te stellen.”.

Art. 122. In hetzelfde Wetboek wordt het eerste lid van artikel 502
opgeheven.

Afdeling 4. - Wijziging van het Wetboek van de met de
inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen

Art. 123. In artikel 2, eerste lid, van het Wetboek van de met de
inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen worden de woorden ” 399bis,
“ingevoegd tussen de woorden” 398 “en de woorden” 409″.

Afdeling 5. - Wijzigingen aan het Wetboek der registratie-,
hypotheek- en griffierechten, aan het Wetboek der successierechten en aan
het Wetboek diverse rechten en taksen

Onderafdeling 1. - Wijzigingen aan het Wetboek der
registratie-, hypotheek- en griffierechten

Art. 124. In artikel 219 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, vervangen door artikel 66 van de
wet van 15 maart 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in het eerste lid worden:

a) na het woord “heffing” de woorden “of de invordering” ingevoegd;

b) de woorden “of de door hem gemachtigde ambtenaar” ingevoegd tussen de
woorden “de minister van Financiën” en het woord “opgelost”;

2° tussen het eerste en het tweede lid worden de volgende leden
ingevoegd:

“Indien, na onderhandelingen, met de minister of met de door hem
gemachtigde ambtenaar geen akkoord wordt bereikt over een moeilijkheid als
bedoeld in het eerste lid, kan de belastingplichtige een aanvraag tot
bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld bij artikel
116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV).

Ingeval de moeilijkheid de verkoopwaarde betreft van een goed dat aan de
in artikel 189 bedoelde schatting is onderworpen, kan de bemiddeling van de
fiscale bemiddelingsdienst daarover niet meer gevraagd of worden voortgezet
zodra de vordering tot controleschatting is ingesteld. De Koning kan bepalen
voor welke moeilijkheden in verband met de heffing en invordering van de
registratierechten bemiddeling door de fiscale bemiddelingsdienst is
uitgesloten.”;

3° in het tweede lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden “of de
door hem gedelegeerde ambtenaar” ingevoegd tussen de woorden “De minister
van Financiën” en de woorden “gaat dadingen met de belastingplichtigen aan”.

Onderafdeling 2. - Wijzigingen van het Wetboek der
successierechten.

Art. 125. In artikel 141 van het Wetboek der
successierechten, gewijzigd bij de artikelen 96 van de wet van 4 augustus
1986 en 73 van de wet van 15 maart 1999, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:

1° in het eerste lid worden:

a) na het woord “heffing” de woorden “of de invordering” ingevoegd;

b) de woorden “of de door hem gemachtigde ambtenaar” ingevoegd tussen de
woorden “komt de minister van Financiën” en het woord “toe”;

2° tussen het eerste en het tweede lid worden de volgende leden
ingevoegd:

“Indien, na onderhandelingen met de minister of met de door hem
gemachtigde ambtenaar geen akkoord wordt bereikt over een moeilijkheid als
bedoeld in het eerste lid, kan de belastingplichtige een aanvraag tot
bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld bij artikel
116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV).

Ingeval de moeilijkheid de verkoopwaarde betreft van een goed dat aan de
in artikel 111 bedoelde schatting is onderworpen, kan de bemiddeling van de
fiscale bemiddelingsdienst daarover niet meer gevraagd of voortgezet worden
van zodra de vordering tot controleschatting is ingesteld. De Koning kan
bepalen voor welke moeilijkheden in verband met de heffing en invordering
van de successierechten bemiddeling door de fiscale bemiddelingsdienst is
uitgesloten.”;

3° in het tweede lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden “of de
door hem gemachtigde ambtenaar” ingevoegd tussen de woorden “De minister van
Financiën” en de woorden “gaat de transacties met de belastingplichtigen
aan”.

Onderafdeling 3. - Wijzigingen van het Wetboek
diverse rechten en taksen

Art. 126. In artikel 2024 van het Wetboek diverse
rechten en taksen, gewijzigd bij artikelen 75 van de wet van 4 augustus 1986
en 83 van de wet van 15 maart 1999, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:

1° in het eerste lid worden:

a) de woorden “het innen” vervangen door de woorden “de heffing of de
invordering”;

b) de woorden “of de door hem gemachtigde ambtenaar” ingevoegd tussen de
woorden “de minister van Financiën” en het woord “opgelost”;

2° tussen het eerste en het tweede lid worden de volgende leden
ingevoegd:

“Indien, na onderhandelingen met de minister of met de door hem
gemachtigde ambtenaar geen akkoord wordt bereikt over een moeilijkheid als
bedoeld in het eerste lid, kan de belastingplichtige een aanvraag tot
bemiddeling indienen bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld bij artikel
116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV).

De Koning kan bepalen voor welke moeilijkheden in verband met de heffing
en invordering van de diverse rechten en taksen bemiddeling door de fiscale
bemiddelingsdienst is uitgesloten.”.

Afdeling 6. - Wijzigingen van de algemene wet
inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977

Art. 127. In de Algemene wet inzake douane en
accijnzen van 18 juli 1977 wordt een nieuw hoofdstuk XXIIIbis ingevoegd, dat
de artikelen 219bis tot 219quater omvat, luidende:

“Hoofdstuk XXIIIbis. - Fiscale bemiddeling”

Art. 128. In dezelfde wet wordt een artikel 219bis
ingevoegd, luidende:

“Art. 219bis. Iedere persoon die, overeenkomstig de artikelen 211 tot en
met 219, een regelmatig administratief beroep tegen een beschikking instelt,
kan een aanvraag tot bemiddeling betreffende die beschikking indienen bij de
fiscale bemiddelingsdienst bedoeld bij artikel 116 van de wet van 25 april
2007 houdende diverse bepalingen (IV).”.

Art. 129. In dezelfde wet wordt een artikel 219ter
ingevoegd, luidende:

“Art. 219ter. De aanvraag tot bemiddeling is onontvankelijk wanneer de
aanvrager vooraf een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg heeft
ingesteld of wanneer over het administratief beroep bij toepassing van
artikel 219 een beslissing werd getroffen.

Wanneer de belastingschuldige een vordering bij de rechtbank van eerste
aanleg heeft ingesteld of wanneer over het administratief beroep bij
toepassing van artikel 219 een beslissing werd getroffen, vóór de
kennisgeving van het bemiddelingsverslag, is de fiscale bemiddelingsdienst
ontheven van zijn bevoegdheid.”.

Art. 130. In dezelfde wet wordt een artikel
219quater ingevoegd, luidende:

“Art. 219quater. - De aanvraag tot bemiddeling schort de
tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking niet.”.

Afdeling 7. - Gemeenschappelijke bepaling

Art. 131. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in
werking op de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de
Ministerraad, te bepalen datum.

    

Bijlage 2

9 MEI 2007. - Koninklijk besluit tot uitvoering van Hoofdstuk 5 van Titel
VII van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV)

HOOFDSTUK I. - Oprichting van de fiscale bemiddelingsdienst en
aanwijzing van zijn leden

Artikel 1. Bij de federale Overheidsdienst Financiën
wordt een fiscale bemiddelingsdienst, hierna “de dienst” genoemd, opgericht
en onder de leiding geplaatst van een college samengesteld uit ten minste
drie en ten hoogste vijf leden, hierna “fiscaal bemiddelaars” genoemd.

De Minister van Financiën wijst onder de leden van het college een
Voorzitter aan.

Dit college, eventueel met uitzondering van de Voorzitter, is
samengesteld uit een gelijk aantal leden die respectievelijk behoren tot de
Nederlandse en de Franse taalrol.

Art. 2. De fiscaal bemiddelaars worden aangeduid, na
een oproep tot kandidaatstelling op basis van de functiebeschrijving en het
competentieprofiel in bijlage.

De fiscaal bemiddelaars worden aangeduid voor een termijn van vijf jaar,
deze aanduiding is hernieuwbaar.

Zij oefenen hun mandaat voltijds uit.

De eerste samenstelling van het college zal uitsluitend bestaan uit
ambtenaren van niveau 1 (A) van de Federale Overheidsdienst Financiën.

Art. 3. De Koning kan, na advies van het
directiecomité, bij in Ministerraad overlegd besluit een einde maken aan het
mandaat van de fiscaal bemiddelaars:

1) op hun verzoek;

2) om ernstige redenen.

Het mandaat eindigt van rechtswege wanneer zij de leeftijd van 65 jaar
bereiken.

Art. 4. De dienst is samengesteld uit ten minste
twintig personeelsleden die titularis zijn van een betrekking van niveau A
of B en ten minste drie personeelsleden die titularis zijn van een
betrekking van niveau C.

Met het oog op de aanduiding van deze personeelsleden wordt in al de
administraties en diensten van de Federale Overheidsdienst Financiën een
oproep tot de kandidaten gericht.

Om te kunnen worden aangeduid, moeten de kandidaten een gunstige
vermelding bekomen aan het einde van een selectieprocedure op basis van een
functiebeschrijving en een competentieprofiel.

Deze selectieprocedure wordt vastgesteld door de Minister van Financiën.

Uit de lijst van de op basis van voormelde selectieprocedure weerhouden
kandidaten, duidt de Minister van Financiën de personeelsleden aan bedoeld
in het eerste lid, op voordracht van de fiscaal bemiddelaars.

De aanduiding geldt voor vijf jaar. Zij is hernieuwbaar. Op verzoek van
de fiscaal bemiddelaars, of op verzoek van het personeelslid kan, in
uitzonderlijke omstandigheden van deze duur worden afgeweken bij behoorlijk
gemotiveerde beslissing van de Minister van Financiën.

Een mutatie, een verandering van graad, een verandering van vakklasse of
een bevordering in de administratie van oorsprong kan evenwel niet worden
beschouwd als een uitzonderlijke omstandigheid bedoeld in het vorige lid.

Art. 5. De personeelsleden van de Federale
Overheidsdienst Financiën, bedoeld in de artikelen 2 en 4, worden ter
beschikking gesteld van de dienst en behouden in hun administratie van
oorsprong hun rechten op bevordering, verandering van vakklasse, verandering
van graad en op mutatie.

HOOFDSTUK II. - Werking van de fiscale
bemiddelingsdienst

Art. 6. Binnen de grenzen van hun bevoegdheid,
ontvangen de fiscaal bemiddelaars van geen enkele overheid instructies.

Behoudens in geval van zware fout, kunnen zij niet van hun ambt worden
ontheven wegens daden die zij stellen in het raam van hun ambtsvervulling.

Art. 7. De fiscaal bemiddelaars stellen een reglement
van interne orde op. Dit reglement wordt goedgekeurd door de Minister van
Financiën en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Art. 8. Onverminderd de delegaties die de ze elkaar
bij collegiale beslissing verlenen, treden de fiscaal bemiddelaars op als
college.

De beslissingen worden genomen door een meerderheid van het quorum van de
leden van het college, elk lid beschikkend over één stem en het quorum zoals
bepaald door het reglement van interne orde. In geval van pariteit van
stemmen, is de stem van de Voorzitter doorslaggevend.

Art. 9. Iedere belanghebbende kan een aanvraag tot
bemiddeling indienen ofwel schriftelijk, per fax of per e-mail ofwel
mondeling tijdens de permanentie georganiseerd door de dienst.

Art. 10. De aanvragen tot bemiddeling maken het
voorwerp uit van een ontvangstbewijs uitgereikt aan de aanvrager binnen een
termijn van vijf werkdagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de
aanvraag.

Wanneer de bemiddeling mondeling aangevraagd wordt, wordt zij op papier
gezet door de dienst. In afwijking van het eerste lid wordt het
ontvangstbewijs onmiddellijk uitgereikt.

Art. 11. De dienst deelt de aanvrager ten laatste
binnen de vijftien werkdagen vanaf de ontvangst van de aanvraag tot
bemiddeling haar beslissing mee om deze aanvraag al dan niet te behandelen
of ze aan een andere ombudsman door te zenden. De weigering om een klacht te
behandelen wordt gemotiveerd.

De dienst fiscaal bemiddelaar stelt de betrokken fiscale dienst in kennis
van de aanvraag tot bemiddeling die zij voornemens is te behandelen.

Art. 12. Het bemiddelingsverslag wordt aan de
aanvrager en de betrokken fiscale dienst ter kennis gebracht.

Art. 13. Elk jaar en uiterlijk op 31 maart richt de
dienst een verslag over haar activiteiten aan de Minister van Financiën door
tussenkomst van de voorzitter van de FOD Financiën. Deze verslagen kunnen
nuttig geachte aanbevelingen bevatten die de dienst heeft gericht aan de
voorzitter van de FOD Financiën en vermelden de eventuele moeilijkheden die
ze ondervindt bij de uitoefening van haar ambt.

De identiteit van de aanvrager en van de personeelsleden van de FOD
Financiën mag niet worden vermeld in deze verslagen.

De verslagen worden openbaar gemaakt door de Minister van Financiën.

Art. 14. De bepalingen van Hoofdstuk 5 van Titel VII
van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV) en dit besluit
treden in werking op 1 mei 2007.

In afwijking van het vorige lid kan de aanvraag tot bemiddeling slechts
worden ingediend, met ingang van de eerste dag van de zesde maand die volgt
op de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

Art. 15. Onze Minister bevoegd voor Financiën is
belast met de uitvoering van dit besluit.