Hof van Beroep te Luik - Registratie als aannemer - Faillissement - Schrapping van de registratie - Inhouding van 15 %
Arrest van het Hof van Beroep te Luik dd. 04.05.2005
Registratie als aannemer - Faillissement - Schrapping van de registratie - Inhouding van 15 %
Tengevolge van het faillissement heeft de aannemer
ambtshalve zijn registratienummer verloren en is de opdrachtgever verplicht
om de sociale en fiscale inhoudingen te verrichten, zelfs indien de facturen
werden uitgereikt vóór de schrapping van de registratie.
Deze uitzondering betreffende sociale en fiscale
inhoudingen is tegenwerpbaar aan de onderaannemers omdat ze voortvloeit uit
een wettelijke verplichting die vreemd is aan de uitvoering van contracten.
De nieuwe wet die de verplichting oplegt van een
fiscale inhouding en een sociale inhouding van 15 %, is onmiddellijk van
toepassing, zelfs in de hypothese van de rechtstreekse vordering voorzien in
art. 1798, BW, en dit niet alleen op toestanden die na de inwerkingtreding
ervan ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere
wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder de gelding
van de nieuwe wet.
Hieruit volgt dat art. 408, WIB92 geldt voor alle
betalingen verricht vanaf 1 januari 1999, datum van inwerkingtreding van de
nieuwe wetgeving waarbij het artikel gewijzigd wordt, en ook voor de
betalingen verbonden met een vóór deze datum gesloten overeenkomst.
Bovendien zijn deze bepalingen van openbare orde in de
mate dat zij beogen bepaalde frauduleuze praktijken tegen te gaan die worden
gepleegd in de bouwsector, en zijn zij onmiddellijk van toepassing op alle
betalingen die de opdrachtgever aan de onderaannemers moet verrichten,
ongeacht of ze zijn opgetreden vóór of na het faillissement of het verlies
van de registratie.
Zij wijken bovendien af van de regel van de gelijkheid
tussen schuldeisers verzekerd bij de faillissementswet en de wet op de
voorrechten en hypotheken, zodat de onderaannemers ten onrechte het
voorrecht van de onderaannemer inroepen.
HOF VAN BEROEP TE LUIK
Belgische Staat t/ Regie der Gebouwen, NV D. C., NV D.R., RSZ
Gelet op het vonnis gewezen op 12 februari 2001 door de Rechtbank van
eerste aanleg te Marche-en-Famenne, betekend op verzoek van de NV D. C. aan
de Regie der Gebouwen op 14 maart 2001;
Gelet op het verzoekschrift tot hoger beroep ingediend door de Regie der
Gebouwen op 13 april 2001 bij de griffie van het Hof;
Gelet op het incidenteel hoger beroep aangetekend door de BVBA M.E.E. in
haar conclusie neergelegd op 21 september 2001;
Gelet op het incidenteel hoger beroep aangetekend door de RSZ in haar
conclusie neergelegd op 24 januari 2002;
Gelet op het incidenteel hoger beroep aangetekend door de NV F. in haar
conclusie neergelegd op 2 februari 2004;
Gelet op het incidenteel hoger beroep aangetekend door de NV D. C. in
haar conclusie neergelegd op 27 december 2002;
Gelet op het incidenteel hoger beroep aangetekend door de Belgische
Staat, Minister van Financiën, in de conclusie neergelegd op 17 januari
2003;
Gelet op het hoofdberoep ingesteld door de Regie der Gebouwen in haar
syntheseconclusie van 29 oktober 2004;
Gelet op de conclusies en dossiers van de partijen;
Het voorwerp van het geschil en de omstandigheden van de zaak werden op
juiste wijze vastgesteld door de eerste rechter in zijn beslissing van 6
augustus 1998, naar wiens uiteenzetting het Hof verwijst;
Er dient evenwel te worden gewezen op het feit dat de geïntimeerde
partijen, NV D. C., NV F. en BVBA M.E.E., een rechtstreekse vordering
instellen tegen de Regie der Gebouwen op grond van artikel 1798 van het
Burgerlijk Wetboek tot betaling van de schuldvordering die ze hebben tegen
de NV D. R., op dit ogenblik in staat van faillissement en vertegenwoordigd
door haar curator, mr. C. M., vennootschap waarvoor ze hebben gewerkt in
hoedanigheid van onderaannemers op verschillende werven waarvan de Regie de
bouwheer was.
In de vonnissen van 6 augustus 1998, 13 september 1999 en 20 juli 2000
werd definitief beslist dat de vorderingen van de NV D. C., van de NV F. en
van de BVBA M.E.E. ontvankelijk en gegrond waren, provisioneel voor een
bedrag van 949.847 BEF, naar evenredigheid verdeeld tussen de drie
schuldeisers, onder aftrek van 2 x 15 % voor de fiscale en sociale
inhoudingen gevorderd door de RSZ en de Belgische Staat, Minister van
Financiën, punt waarover de rechter zich niet heeft uitgesproken.
In de bestreden beslissing van 12 februari 2001, heeft de eerste rechter
geoordeeld dat de Regie der Gebouwen de twee inhoudingen niet moest doen ten
gunste van de Belgische Staat en de RSZ, heeft hij zich niet uitgesproken
over de betaling van de op de hoofdsom gevorderde interesten en heeft hij de
Regie der Gebouwen veroordeeld tot de kosten van het geding van al de
partijen;
De Regie der Gebouwen die niet verplicht wil worden tot een dubbele
betaling heeft hoger beroep aangetekend en hierbij ingeroepen dat de
inhoudingen ten voordele van de RSZ en de Belgische Staat van openbare orde
zijn en dat deze laatsten naar haar oordeel de echte schuldeisers zijn. Zij
voert bovendien aan dat de interesten niet verschuldigd zijn wegens de
exceptie van niet-uitvoering en van schuldvergelijking die ze tijdig heeft
ingeroepen, met name vóór de faillietverklaring.
Middels incidenteel beroep sluiten de RSZ en de Belgische Staat zich aan
bij het hoofdberoep waarbij ze eisen dat 15% van de inhouding elk van hen
zou toekomen.
De andere geïntimeerden eisen bij incidenteel beroep de betaling van het
toebehoren van hun schuldvorderingen, hetzij de betaling van de interesten.
1. Ontvankelijkheid van het hoofdberoep
De appellante, Regie der Gebouwen, had een gewettigd belang om hoger
beroep aan te tekenen tegen de bestreden beslissing. De argumenten van
onwettigheid die ze inroept aangaande de beslissing betreffende de
toekenning van de sociale en fiscale inhoudingen in het voordeel van de
onderaannemer en het risico dat een tweede vordering tegen haar wordt
ingesteld voor dezelfde bedragen, volstaan om het belang van haar vordering
aan te tonen, gelet op de verscheidenheid van de eventuele schuldenaars. Het
hoger beroep is nog ontvankelijk in zoverre het de beslissing betwist
betreffende de vordering van de gerechtelijke interesten waarover de eerste
rechter ten onrechte geen uitspraak zou hebben gedaan.
Het hoger beroep wordt evenwel strikt beperkt tot deze twee punten
waarbij de vraag naar de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de
vorderingen van de onderaannemers niet kan onderzocht worden wegens het
gebrek aan hoger beroep ingesteld tegen de vroegere beslissingen en het
hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 20 juli 2000 dat eveneens
slechts betrekking heeft op de kwestie van de inhoudingen.
2. Fiscale en sociale inhoudingen en tegenstelbaarheid van de
excepties.
In de vonnissen van 6 augustus 1998, van 13 september 1999 en van 20 juli
2000, was de eerste rechter van oordeel dat de rechtstreekse vorderingen van
de geïntimeerden NV D. C., NV F. en BVBA M.E.E. werden ingesteld vóór het
vonnis van faillietverklaring van 15 september 1997. Deze vonnissen deden
definitief uitspraak over deze kwestie.
Er volgt eveneens uit deze definitieve beslissingen dat appellante de
exceptie van niet-uitvoering van het werk heeft opgeworpen ten aanzien van
de NV D.R. vanaf 3 juni 1997, op grond van gebreken die dezelfde dag werden
vastgesteld in een proces-verbaal, met vermelding van de toepassing van
artikel 47 van het Algemeen lastenboek van de opdrachten van de Staat.
Appellante gaf op 19 juni 1997 bij aangetekend schrijven kennis van de
toepassing van de ambtshalve maatregelen van artikel 48 van het AAV bij
vaststelling van het verzuim van de aannemer. Een nieuw aangetekend
schrijven van 1 september werd op 5 september gevolgd door een
toegangsverbod op de werf te Heer-Agimont.
De Regie der Gebouwen liet na het faillissement, op 13 oktober 1997, aan
de curator mr M. weten dat er voor drie werven maatregelen van ambtswege
waren toegepast en dat er aldus op zijn kosten zou worden overgegaan tot
uitvoering van de aannemingopdrachten en tot opschorting van de betaling van
bepaalde voorschotten, zodra de eindafrekening van de maatregelen van
ambtswege was opgemaakt.
De eerste rechter was terecht van oordeel dat de exceptie van
niet-uitvoering reeds bestond op de datum van het faillissement in zijn
vonnis van 6 augustus 1998 waartegen geen beroep was aangetekend. De
exceptie van niet-uitvoering kan in elke stand van het geding worden
ingeroepen ongeacht het ogenblik waarop de niet-uitvoering plaatsvond.
Wegens het faillissement verliest de aannemer van ambtswege zijn
registratie en heeft de Regie der gebouwen de verplichting de fiscale en
sociale inhoudingen te verrichten, zelfs indien de facturen werden
uitgereikt vóór de schrapping van de registratie (Cass. 11 juni 1987,
JLMB, 1987, p.1204 en wet van 6 juli 1989, nieuw art 30bis van de wet
van 27 juni 1969 en 408 van het WIB).
Deze uitzondering betreffende sociale en fiscale inhoudingen is
tegenstelbaar aan de onderaannemers omdat ze voortvloeit uit een wettelijke
verplichting die geen verband houdt met de uitvoering van de contracten.
Deze bepalingen zijn van openbare orde en van onmiddellijke toepassing.
Het is derhalve onterecht dat de eerste rechter heeft geoordeeld dat de
bepalingen die nog niet van toepassing waren op het ogenblik van het
afsluiten van het algemeen aannemingscontract en van de
onderaannemingscontracten niet konden worden toegepast met terugwerkende
kracht.
De nieuwe wet, in dit geval het koninklijk besluit van 26 december 1998,
die in beide gevallen verplicht tot een sociale en een fiscale inhouding van
15 %, zelfs in de hypothese van de rechtstreekse vordering bedoeld in
artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek, is immers niet alleen onmiddellijk
van toepassing op toestanden die vanaf de inwerkingtreding zijn ontstaan,
maar ook op de toekomstige gevolgen van toestanden die zijn ontstaan onder
de regeling van de vroegere wet of die voortduren onder de gelding van de
nieuwe wet. Het gaat in dit geval om verplichtingen die hun grond niet
vinden in de overeenkomst of de wil van de partijen, maar enkel in de
bedoeling van de wetgever.
Logischerwijze volgt hieruit dat artikel 408 WIB 92 (?artikelen 402 en
403 WIB 92 blijven van toepassing in geval van de rechtstreekse vordering
bedoeld in artikel 1798 van het Burgerlijk wetboek?) geldt voor alle
betalingen vanaf 1 januari 1999, datum van inwerkingtreding van het KB van
26 december 1998 waarbij dit artikel gewijzigd wordt, indien de betalingen
verband houden met een vóór deze datum gesloten overeenkomst.
Hetzelfde geldt voor de sociale inhoudingen en voor artikel 30bis § 11
van de wet van 27 juni 1969 gewijzigd door hetzelfde KB van 26 december
1998, dat bepaalt dat dit artikel van toepassing blijft in geval van
faillissement of elke andere samenloop van schuldeisers, … en van de
rechtstreekse vordering bedoeld in artikel 1798 van het Burgerlijk wetboek.
Deze bepalingen zijn bovendien van openbare orde voor zover zij beogen
bepaalde frauduleuze praktijken tegen te gaan die worden gepleegd in de
bouwsector. Zij zijn dus van onmiddellijke toepassing op alle betalingen die
de Regie der Gebouwen moet doen aan de onderaannemers die zijn opgetreden
vóór of na het faillissement en het verlies van de registratie.
Zij wijken bovendien af van de regel van de gelijkheid tussen de
schuldeisers, vastgelegd in de faillissementswet en de wet op de voorrechten
en hypotheken (Cass. 19 december 1988, B.C. 1990, 694, p.1366), wat tot
gevolg heeft dat de onderaannemers ten onrechte het voorrecht van de
onderaannemer inroepen, bepaald in de wet van 3 januari 1958 en gewijzigd
door artikel 23 § 2 van de wet van 24 december 1993.
De Regie der Gebouwen moet derhalve haar wettelijke verplichting
uitvoeren en 15% inhouden van elke betaling gedaan ten bate van de NV D. C.,
van de NV F. en van de BVBA M.E.E.
3. Incidenteel hoger beroep: betaling van de gerechtelijke interesten
en exceptie van niet-uitvoering.
De bouwheer is gehouden tot de interesten vanaf de akte van rechtspleging
waarbij de rechtsvordering werd ingesteld, in dit geval de respectieve
dagvaardingen en de vrijwillige tussenkomst van de verschillende
onderaannemers. De exceptie van niet-uitvoering die tijdig is opgeworpen
door de Regie der Gebouwen schorst evenwel de loop van de interesten tot aan
het opmaken van de eindafrekening na schuldvergelijking ingevolge de
maatregelen van ambtswege bevolen op de verschillende werven.
De datum waarop de schuldvordering vaststaat, kan worden vastgesteld op
26 mei 1999, ogenblik waarop de Regie der Gebouwen de eindafrekening van de
onderneming heeft opgemaakt en ter kennis gegeven aan de curator van het
faillissement van de NV D.
De interesten kunnen dus niet lopen dan vanaf deze datum, behoudens voor
wat betreft de BVBA M.E.E. die haar vordering slechts heeft ingesteld op 2
december 1999.
4. Afrekeningen tussen partijen.
De Regie der Gebouwen is dus verschuldigd aan de RSZ en aan de Belgische
Staat, ieder 15% van elke betaling verricht aan de NV D.C., de NV F en de
BVBA M.E.E. Bovendien is er verschuldigd aan:
- de NV D. C. de interesten aan de wettelijke interestvoet op 16.675,35 ?
sinds 27 mei 1999;
- de NV F., de interesten aan de wettelijke interestvoet op 161.189 BEF
of 3.995,77 ? sinds 27 mei 1999;
- de BVBA M.E.E., de interesten aan de wettelijke interestvoet op 115.976
BEF of 2.874,97 ? sinds 2 december 1999.
OM DEZE REDENEN,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen
in gerechtszaken;
Het Hof, uitspraak doende op tegenspraak en binnen de perken van
de aanhangigmaking,
Ontvangt de beroepen;
Wijzigt het bestreden vonnis,
Veroordeelt appellante tot betaling aan:
- de NV D. C., de interesten aan de wettelijke interestvoet op 16.675,35
? sinds 27 mei 1999;
- de NV F., de interesten aan de wettelijke interestvoet op 161.189 BEF
of 3.995,77 ? sinds 27 mei 1999;
- de BVBA M.E.E., de interesten aan de wettelijke interestvoet op 115.976
BEF of 2.874,97 ? sinds 2 december 1999.
De reeds door de Regie der Gebouwen verrichte betalingen op grond van
vroeger gewezen provisionele vonnissen werden toegerekend overeenkomstig het
bepaalde in artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek.
Veroordeelt appellante tot betaling aan de RSZ en aan de Belgische Staat,
voor ieder van hen 15% van elke betaling verricht aan de NV D. C., de NV F.
en de BVBA M.E.E.
Veroordeelt appellante tot de kosten van de aanleg en het beroep van de
RSZ begroot op 756,08 ? en van de Belgische Staat, Minister van Financiën
begroot op 748,64 ?.
En de kosten van beroep worden omgeslagen onder de andere partijen die
omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld;