Print This Post

Hof van Cassatie - Personenbelasting - Aanslagtermijn - Bijzondere aanslagtermijn - Rechtsvordering - Inkomen uitgewezen door een rechtsvordering

ARREST C 07/3

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 18.10.2007

Personenbelasting - Aanslagtermijn - Bijzondere aanslagtermijn - Rechtsvordering - Inkomen uitgewezen door een rechtsvordering

    Artikel 358 heeft als doel in de gevallen erin bepaald, de administratie
een verlengde termijn te geven waarin zij een aanslag kan vestigen. Dat
artikel laat aan de administratie niet toe verder terug te gaan dan tot de
inkomsten van één van de 5 jaren die het instellen van de rechtsvordering
voorafgaan die de niet-aangifte van belastbare inkomsten heeft uitgewezen.
Dat artikel sluit evenwel niet uit dat de administratie ook de inkomsten
belast die na het instellen van de rechtsvordering niet zijn aangegeven en
waarvan het bestaan aan het licht is gebracht door die rechtsvordering.

VOLLEDIGE TEKST

Hof van Cassatie van België

Arrest

Nr. F.06.0086.N

M.-P. J., wonende ?,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. P. L., advocaat bij de balie ?,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,
Federale Overheidsdienst Financiën, voor wie optreedt de Gewestelijk
Directeur der Directe Belastingen te Hasselt, met kantoren te 3500 Hasselt,
Voorstraat 43,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. I. C. B., advocaat bij het Hof van Cassatie,?

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 4 april 2006 gewezen
door het Hof van Beroep te Antwerpen.

Raadsheer E. S. heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal D. T. heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift vijf middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

artikel 358, § 1, 3°, W.I.B. 1992, gewijzigd door artikel 72 van de
Wet van 6 juli 1994 (B.S. 16 juli 1994), zoals van toepassing voor
aanslagjaar 1992.

Aangevochten beslissingen

Doordat het hof van beroep na te hebben vastgesteld (p. 9 arrest) dat
‘uit de door eiser in voorziening niet betwiste gegevens van het
administratief dossier, en in het bijzonder de brief van de Bijzondere
Belastinginspectie Hasselt I aan de Hoofdcontroleur der belastingen te
Lanaken van 30 november 1995 (stuk 26 A.D.), blijkt dat de rechtsvordering
tegen eiser in voorziening werd ingesteld op 12 november 1991′.

oordeelt dat ‘dan ook dient te worden besloten dat de aanslag binnen de
termijn voorzien in artikel 358 W.I.B. 1992 werd gevestigd en dat niet nader
dient te worden onderzocht of de voorwaarde van toepassing van de termijn
voorzien in artikel 354, tweede lid W.I.B. 1992, te weten het bewijs van
bedrieglijk opzet of een oogmerk om te schaden, al dan niet vervuld is’.

Grieven

Artikel 358, § 1, 3° W.I.B. 1992 zoals het van toepassing was voor
aanslagjaar 1992 bepaalt dat ‘de belasting of aanvullende belasting mag
worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bedoelde termijn is
verstreken ingeval, … 3° een rechtsvordering uitwijst dat belastbare
inkomsten niet werden aangegeven in één der vijf jaren vóór het jaar waarin
de rechtsvordering is ingesteld’;

Dat in casu niet betwist wordt dat de rechtsvordering werd ingesteld op
12 november 1991. Met als gevolg dat met toepassing van artikel 358, § 1, 3°
W.I.B. 1992 enkel de belastbare inkomsten kunnen belast worden die niet
werden aangegeven gedurende de aanslagjaren 1986, 1987, 1988, 1989 en 1990,
zijnde de vijf (aanslag)jaren vóór het instellen van de rechtsvordering,
doch niet zoals in casu aanslagjaar 1992.

zodat, door te beslissen dat in casu de inkomsten met betrekking tot
aanslagjaar 1992 konden belast worden op basis van artikel 358, § 1, 3°
W.I.B. 1992, gelet op het instellen van de rechtsvordering op 12 november
1991, deze bepaling door het Hof van Beroep werd geschonden.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 (B.S.
17 februari 1994 (tweede uitgave)) en van de artikelen 346 en 351 W.I.B.
1992 zoals van toepassing voor aanslagjaar 1992.

Aangevochten beslissingen

Doordat het hof van beroep in het bestreden arrest, na te hebben
vastgesteld (p. 3 arrest) dat ‘de hoofdcontroleur (…) dienvolgens
voornemens (was) om inkomsten uit baten van een winstgevende onderneming
voor een bedrag van (79 x 15.000 BEF=) 29.375,38 euro (1.185.000 BEF) te
belasten’

en nadat eiser in zijn op 4 november 2004 neergelegde conclusies (zie p.
5 bovenaan arrest) opmerkte: ‘bovendien is de aanslag niet gevestigd
overeenkomstig de aangekondigde wijzigingen in het bericht van wijziging
(kennisgeving van aanslag van ambtswege)’. In het bericht van wijziging
(kennisgeving aanslag van ambtswege) wordt immers gemeld dat ‘baten van een
winstgevende bezigheid’ zullen belast worden, terwijl in de aanslag ‘winsten
van nijverheids-, handels- of landbouwbedrijven’ belast worden, zijnde een
ander inkomen waarvoor er geen forfait geldt voor aftrek van kosten (zie
stukken 195 en 196 administratief dossier neergelegd door administratie voor
het hof van beroep). Met als gevolg dat ‘de aanslag bijgevolg willekeurig en
dus nietig is’, geen oordeel velt over dit door eiser in zijn conclusies
opgeworpen argument.

Grieven

Artikel 149 van de Grondwet bepaalt dat elk vonnis met redenen omkleed
moet zijn. Dat dit veronderstelt dat de rechter, in casu het hof van beroep,
antwoord op de door eiser opgeworpen grieven. Dat door in de beslissing geen
oordeel uit te spreken over de door eiser opgeworpen grief in verband met de
schending van de artikelen 346 en 351 W.I.B. 1992, artikel 149 van de
Grondwet wordt geschonden,

dat nochtans de artikelen 346 en 351 W.I.B. 1992 zoals van toepassing
voor aanslagjaar 1992, uitdrukkelijk voorschrijven dat indien de
Administratie de inkomsten en andere gegevens meent te moeten wijzigen welke
de belastingplichtige heeft vermeld in zijn aangifte, dan wel schriftelijk
heeft erkend, de Administratie de belastingplichtige bij ter post
aangetekende brief in kennis dient te stellen van de inkomsten en andere
gegevens die zij voornemens is in de plaats te stellen. Dat dit in casu niet
gebeurde doordat een ‘winst van nijverheids-, handels- of landbouwbedrijven’
werd belast in plaats van de aangekondigde ‘baat van een winstgevende
bezigheid’,

zodat door het belasten van een inkomen als een ‘winst van nijverheids-,
handels- of landbouwbedrijven’, hetgeen niet overeenkomt met hetgeen
aangekondigd werd in het bericht van wijziging en de kennisgeving van
aanslag van ambtswege, te weten het belasten van een inkomen als een ‘baat
van een winstgevende bezigheid’, de artikelen 346 en 351 W.I.B. 1992 werden
geschonden en door niet te antwoorden op de grieven die door eiser in dit
verband werden ingeroepen, artikel 149 van de Gecoördineerde Grondwet werd
geschonden.

Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

artikel 351 W.I.B. 1992 zoals van toepassing voor aanslagjaar 1992 en
van artikel 1110 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Doordat het Hof, na te hebben vastgesteld (p. 12 arrest) dat ‘eiser in
voorziening (…) niet (betwist) het bericht van wijziging van 4 december
1995 te hebben ontvangen’ en stelt dat ‘ten overvloede mag worden opgemerkt
dat de kennisgeving van aanslag van ambtswege impliciet doch zeker verwijst
naar het bericht van wijziging van aangifte en dat deze impliciete doch
zekere verwijzing moest volstaan om eiser in voorziening toe te laten de
meegedeelde gegevens te bespreken en gebeurlijk te weerleggen’,

het Hof verder, na te hebben vastgesteld dat eiser zich akkoord
verklaarde met de kennisgeving van aanslag van ambtswege, stelt dat
belastingplichtige weliswaar gebonden is door het akkoord doch, gelet op het
openbare orde karakter van de fiscale wetgeving, hierop kan terugkomen als
hij het bewijs levert dat het akkoord aangetast is door een
dwaling/vergissing in feite of in rechte of door een wilsgebrek, het Hof
oordeelt dat een verschoonbare dwaling in hoofde van eiser niet aanwezig is
aangezien de kennisgeving van aanslag van ambtswege voldoende gegevens
bevatte omtrent de voorgenomen aanslag van niet aangegeven inkomsten om
eiser toe te laten de voorgenomen aanslag te onderzoeken, te verwerpen of
aan te nemen,

Artikel 351 W.I.B. 1992 uitdrukkelijk bepaalt: ‘Voor de aanslag van
ambtswege wordt gevestigd, geeft de Administratie bij ter post aangetekende
brief aan de belastingplichtige kennis van de redenen waarom zij van die
procedure gebruik maakt, van het bedrag van de inkomsten en andere gegevens
waarop de aanslag zal steunen, alsmede van de wijze waarop die inkomsten en
gegevens zijn vastgesteld’,

dat artikel 351 W.I.B. 1992 derhalve expliciet voorschrijft dat per
aangetekend schrijven aan de belastingplichtige moeten worden meegedeeld, de
redenen waarom van de procedure wordt gebruik gemaakt, het bedrag van de
inkomsten en andere gegevens waarop de aanslag zal steunen en de wijze
waarop de inkomsten en gegevens zijn vastgesteld. Dat een impliciete
verwijzing naar een bericht van wijziging ? ter zake wordt enkel aangehaald
dat niet binnen de door de Wet gestelde termijn werd geantwoord op het
bericht van wijziging betreffende de aangifte in de personenbelasting
(bericht dd. 4.12.95) (zie stuk 196 adm. dossier) ? waarvan ten andere niet
vaststaat dat het werd ontvangen, niet volstaat om te voldoen aan de
vereisten voorgeschreven in artikel 351 W.I.B. 1992,

dat verder, uit het feit dat de kennisgeving van aanslag van ambtswege
niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 351 W.I.B. 1992 en derhalve in
strijd is met deze bepaling, eiser op basis van deze kennisgeving niet in de
gelegenheid werd gesteld om met kennis van zaken een akkoord te
ondertekenen, akkoord dat ten andere niet werd gevolgd nu de aanslag
eveneens gevestigd werd op basis van andere gegevens dan vermeld in de
kennisgeving van aanslag van ambtswege.

Grieven

zodat door te beslissen dat een impliciete verwijzing van de kennisgeving
van aanslag van ambtswege naar het bericht van wijziging volstaat om de
voorgenomen aanslag te onderzoeken, te verwerpen of aan te nemen, artikel
351 W.I.B. 1992 werd geschonden,

en, door te beslissen dat het akkoord van eiser met de kennisgeving van
aanslag van ambtswege bindend is zodat eiser zich niet kan beroepen op een
verschoonbare dwaling, artikel 351 W.I.B. 1992 en artikel 1110 van het
Burgerlijk Wetboek werden geschonden.

Vierde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 (B.S.
17 februari 1994 (tweede uitgave)), van de artikelen 2 en 3 van de Wet
van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de
bestuurshandelingen en van artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986
houdende fiscale bepalingen.

Aangevochten beslissingen

Doordat het Hof oordeelt dat in de betwiste aanslag voor het aanslagjaar
1992 (…) toepassing (werd) gemaakt van een belastingverhoging, waarmee
eiser zich ondubbelzinnig akkoord heeft verklaard door de kennisgeving van
aanslag van ambtswege voor akkoord te ondertekenen,

terwijl een belastingverhoging op basis van de artikelen 2 en 3 van de
Wet van 29 juli 1991 en op basis van artikel 109 van de Wet van 4 augustus
1986 uitdrukkelijk dient te worden gemotiveerd. Meer bepaald vereist artikel
2 van de Wet van 29 juli 1991 dat de bestuurshandelingen uitdrukkelijk
gemotiveerd moeten zijn en artikel 3 van diezelfde Wet dat de opgelegde
motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet
vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet
afdoende zijn.

Artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986 bepaalt verder dat telkens
wanneer een belastingadministratie een bericht zendt waarbij hem (de
belastingplichtige) een administratieve boete (of belastingverhoging;
Arbitragehof 18 april 2001, nr 48/2001, B.S. 19 juni 2001, F.J.F. No.
2002/116 en Cass. 8 oktober 2001, F.J.F. No. 2001/297) wordt opgelegd, dit
bericht de feiten dient te vermelden die de overtreding opleveren en de
verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten, en de motieven
geven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen,

dat in de kennisgeving van aanslag van ambtswege (stuk 196 adm. dossier),
noch in enig ander bericht, aan deze voorwaarden is voldaan, zodat uit de
ondertekening voor akkoord van de kennisgeving van aanslag van ambtswege,
geen akkoord met de opgelegde belastingverhoging van 50 pct. kan worden
afgeleid. Eiser werd immers door het gebrek in de motivering niet in de
mogelijkheid gesteld het opleggen van de verhoging te onderzoeken, te
verwerpen of aan te nemen, zodat door te beslissen dat het akkoord van eiser
met de kennisgeving van aanslag van ambtswege ook een akkoord inhoudt met de
opgelegde belastingverhoging van 50 pct., het Hof niet antwoordt op de
argumenten aangehaald door eiser in zijn beroepsbesluiten zodat artikel 149
van de gecoördineerde Grondwet geschonden is en verder de artikelen 2 en 3
van de Wet van 29 juli 1991 en artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986
werden geschonden.

Vijfde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

de artikelen 24, 27 en 90, 1° van het W.I.B. 1992, zoals van
toepassing voor aanslagjaar 1992.

Aangevochten beslissingen

Doordat het Hof, oordeelt (p. 12 arrest) dat ‘ervan uitgaande dat er in
één jaar ongeveer 240 werkdagen zijn, dient te worden vastgesteld dat eiser
in voorziening in 1991 gemiddeld om de drie dagen meewerkte aan een
autodiefstal, die hem 15.000 BEF per diefstal of nog 5.000 BEF per werkdag
opbracht’ en dat ‘gezien de regelmaat van deze activiteit en de hoegrootheid
van de bekomen inkomsten, (deze) inkomsten terecht als inkomsten uit een
zelfstandige beroepsactiviteit (werden) belast’.

terwijl een beroepswerkzaamheid slechts aanwezig is indien het gaat om
een geheel van verrichtingen die zich vaak genoeg voordoen en met elkaar
verbonden zijn om een voortdurende en gewone bedrijvigheid op te leveren en
die, vallend buiten het normale beheer van het privaat vermogen, een
beroepskarakter hebben (Cass. 6 mei 1969, Arr. Cass. 1969, p. 866). De
aanwezigheid van een beroepswerkzaamheid veronderstelt een zekere
organisatie die in het leven wordt geroepen en veronderstelt per definitie
dat men frequent met de betrokken handelingen bezig is.

Het hebben van een beroepswerkzaamheid veronderstelt dat men met een
bepaalde infrastructuur, met publiciteit, naar buiten treedt teneinde kopers
te vinden (zie Cass. 14 januari 1991, F.J.F. No. 91/171). Onroerende
verrichtingen vormen een handelsactiviteit indien het gaat om talrijke
verrichtingen die een geheel vormen (verkavelingen, infrastructuurwerken,
publiciteit) (Antwerpen 23 december 1991, F.J.F. No. 92/63). Het beroep doen
op een organisatie om een zeer belangrijk onroerend goed te verkavelen en te
verkopen, en het verwerven van delen in de onverdeeldheid met het aangaan
van een belangrijk risico, overschrijdt het normaal beheer van het
privé-vermogen (Brussel 3 maart 1994, F.J.F. No. 94/107).

Een privé-werkzaamheid met vermogensbestanddelen zal slechts dan een
bedrijfsinkomen worden, wanneer ze in zekere zin op een hoog georganiseerde
manier geschiedt (Antwerpen 2 oktober 1995, F.J.F. No. 95/201). Een
beroepswerkzaamheid is slechts aanwezig indien de verrichtingen werden
gerealiseerd op een systematische, geprogrammeerde manier en ingegeven door
de bedoeling een onroerend vermogen op te bouwen waarvan de vruchten,
relatief belangrijk, de enige winstgevende activiteiten uitmaken van de
belastingplichtige (Luik 24 februari 1995, F.J.F. No. 96/195). Een
beroepswerkzaamheid is slechts aanwezig wanneer de gerealiseerde operaties
voldoende frequent met elkaar verbonden zijn om een bestendige bezigheid uit
te maken (in casu 46 verhuringen en bepaalde bijkomende prestaties) (Bergen
7 juni 1996, F.J.F. No. 96/228). Is geen normaal beheer van het privaat
vermogen, het verwerven van een onverdeelde helft en vervolgens het
deelnemen aan een vastgoedproject waarvan het welslagen en rendement
onmogelijk op voorhand gekend is (Luik 26 maart 1999, F.J.F. No. 99/189).

De loutere afleiding gemiddeld om de drie dagen (als chauffeur) deel te
hebben genomen aan een diefstal - zonder dat aangegeven wordt in welke
tijdspanne de verrichtingen gebeurden en zonder dat aangetoond wordt dat dit
gepaard ging met een organisatie

vanwege eiser - en het gegeven dat dit 15.000 BEF (371,84 euro) per
diefstal opleverde, toont niet aan dat het ging om een geheel van
verrichtingen die zich vaak genoeg voordoen en die met elkaar verbonden zijn
om een voortdurende en gewone bedrijvigheid op te leveren en die, vallend
buiten het normale beheer van het privaat vermogen, een beroepskarakter
hebben, zodat door te beslissen dat de behaalde ‘inkomsten’ terecht als
inkomsten uit een zelfstandige beroepsactiviteit werden belast, de artikelen
24, 27 en 90, 1° van het W.I.B. 1992 werden geschonden.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Artikel 358, § 1, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992) bepaalt dat de belasting of de aanvullende belasting mag worden
gevestigd, zelfs

nadat de in artikel 354 bedoelde bepaalde termijn is verstreken ingeval
een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven
in één der vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld.

2. Artikel 358, § 2, 3°, van hetzelfde wetboek bepaalt dat in die
gevallen de belasting of de aanvullende belasting moet worden gevestigd
binnen de twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop tegen de
beslissing over de in § 1, 3°, genoemde rechtsvordering geen verzet of
voorziening meer kan worden ingesteld.

Artikel 358 heeft als doel in de gevallen erin bepaald, de administratie
een verlengde termijn te geven waarin zij een aanslag kan vestigen. Dit
artikel laat aan de administratie niet toe verder terug te gaan dan tot de
inkomsten van één van de vijf jaren die het instellen van de rechtsvordering
voorafgaan die de niet-aangifte van belastbare inkomsten heeft uitgewezen.
Dit artikel sluit evenwel niet uit dat de administratie ook de inkomsten
belast die na het instellen van de rechtsvordering niet zijn aangegeven en
waarvan het bestaan aan het Iicht is gebracht door deze rechtsvordering.

Het middel dat uitgaat van het tegendeel faalt naar recht.

Tweede middel

4. De appelrechters zetten op p. 7 en 8 van het arrest onder de rubriek
2.1 betreffende de ontvankelijkheid van de nieuwe grieven uiteen waarom op
bepaalde grieven vervat in de conclusie van de eiser van 4 november 2004
dient te worden geantwoord en op andere niet. De appelrechters motiveren
aldus waarom de grief aangehaald in het middel niet moet worden beantwoord.

5. In zoverre het middel de schending aanvoert van de artikelen 346 en
351 Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992) is het gericht tegen de
aanslag en niet tegen de aangevochten beslissing.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

6. De appelrechters oordelen op p. 11 van het arrest onder de rubriek 2.4
betreffende het akkoord met de kennisgeving van aanslag van ambtswege dat de
eiser de kennisgeving van aanslag van ambtswege voor akkoord heeft
ondertekend en teruggezonden en dat een dergelijk akkoord dezelfde
bewijskracht heeft als de aangifte, wier plaats zij inneemt en dat de
administratie gerechtigd is op basis van de in de akkoordverklaring vermelde
gegevens de aanslag te vestigen.

7. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters oordelen dat
de betwiste aanslag geldig is gevestigd doordat de kennisgeving van aanslag
van ambtswege, waarvan sprake in artikel 351 Wetboek van de
Inkomstenbelastingen (1992), impliciet verwijst naar het bericht van
wijziging, berust het op een verkeerde lezing.

8. Het middel verwijt de appelrechters voorts te oordelen dat het akkoord
van de eiser met de kennisgeving van aanslag van ambtswege bindend is zodat
de eiser zich niet kan beroepen op een verschoonbare dwaling.

De appelrechters laten hun beslissing dat de eiser zich niet kan beroepen
op een verschoonbare dwaling evenwel niet afhangen van het bindend karakter
van het akkoord van de eiser met de kennisgeving van aanslag van ambtswege.

Het arrest stelt vooreerst dat de belastingplichtige weliswaar gebonden
is door het akkoord, maar hierop kan terugkomen als hij het bewijs levert
dat het akkoord aangetast is door een dwaling, een vergissing in feite of in
rechte of door een wilsgebrek.

Het hof van beroep oordeelt vervolgens dat de eiser zich niet kan
beroepen op een verschoonbare dwaling daar de kennisgeving van aanslag van
ambtswege voldoende gegevens omtrent de voorgenomen aanslag bevatte om hem
toe te laten die aanslag te onderzoeken.

De grief berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Vierde middel

9. De eiser voert schending aan van artikel 149 van de Grondwet zonder
evenwel de vordering, het verweer of de exceptie aan te geven waarop niet is
geantwoord. Het Hof is daardoor niet in staat na te gaan of het bestreden
arrest de bekritiseerde beslissing toepast zonder te antwoorden op de
conclusie van de eiser. Het middel is in zoverre onduidelijk.

De overige in het middel aangevoerde wetschendingen zijn afgeleid uit het
vergeefs aangevoerd motiveringsgebrek.

Het middel is niet ontvankelijk.

Vijfde middel

11. Het middel geeft niet aan op welke manier de appelrechters artikel
90, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992) schenden. In
zoverre is het middel niet ontvankelijk bij gebrek aan nauwkeurigheid.

In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 24 en 27 van
het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992) gaat het ervan uit dat de
appelrechters uit de door hen vastgestelde feitelijke elementen niet konden
afleiden dat de eiser een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefende.

In zoverre vereist het middel een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof
niet bevoegd is.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

De kosten zijn begroot op de som van honderd en elf euro twaalf cent door
eiser betaald.