Ruling 700.519 dd. 07.05.2008 - Interne meerwaarden
Voorafgaande beslissing nr. 700.519 dd. 07.05.2008
Personenbelasting
Meerwaarde
Meerwaarde op aandelen
Privé-vermogen
Normaal beheer van het privé-vermogen
Samenvatting
De aanvraag strekt ertoe een voorafgaande beslissing te bekomen omtrent
het feit of de geplande inbreng tegen marktwaarde van de deelnemingen in de
vennootschap NV A en in de vennootschap BVBA B in de holdingvennootschap C
door de heer en mevrouw X als een normale verrichting van beheer van
privé-vermogen als bedoeld in artikel 90, 1°, WIB 92, kan worden beschouwd.
Er wordt beslist dat de vooropgestelde verrichting niet als speculatief
kan worden beschouwd en dat, gelet op de engagementen van de aanvragers,
artikel 90, 1°, WIB 92 niet zal worden toegepast.
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe te vernemen of de geplande inbreng in de
holdingvennootschap BVBA C, door de heer en mevrouw X van de aandelen die
zij bezitten in de exploitatievennootschappen NV A en BVBA B, kwalificeert
als een verrichting van normaal beheer van privévermogen zoals bedoeld in
artikel 90, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92).
II. Omschrijving van de verrichting
II.A. Beschrijving van de activiteiten van de aanvrager en van de
groep
2. De heer X bezit 50% van de aandelen NV A, 53,33% van de aandelen BVBA
B en 25,27% van de aandelen BVBA C. Mevrouw X bezit 50% van de aandelen NV
A, 46,67% van de aandelen BVBA B en 25,27% van de aandelen BVBA C. Hun
dochters V en W bezitten elk 24,73% van de aandelen BVBA C.
3. NV A en BVBA B zijn exploitatievennootschappen.
4. BVBA C is een managementvennootschap.
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting
5. De voorgenomen inbrengverrichting bestaat erin dat de heer X 49,92%
aandelen A, 52% aandelen B en mevrouw X 49,92% aandelen A, 45,33% aandelen B
inbrengen in BVBA C. De aanvragers behouden elk 1 aandeel privé in beide
vennootschappen.
6. De aanvragers nemen bij deze verrichting het engagement op zich dat
gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng in BVBA C:
geen kapitaalvermindering door BVBA C zal worden doorgevoerd;
geen kapitaalvermindering door NV A en BVBA B zal worden doorgevoerd,
tenzij die middelen door BVBA C worden gebruikt voor nieuwe investeringen of
financiering van andere groepsvennootschappen of verbonden ondernemingen
zonder dat deze geldmiddelen mogen doorstromen naar de aandeelhouders
natuurlijke personen;
de dividenduitkering door NV A en BVBA B niet zal wijzigen ten overstaan
van vroeger (d.w.z. vóór de inbreng in de holdingvennootschap). Er mogen
toch hogere dividenden worden uitgekeerd indien wordt aangetoond dat de
dividenduitkeringen worden gebruikt voor nieuwe investeringen of
financiering van andere groepsvennootschappen of verbonden ondernemingen. De
hogere dividenduitkeringen mogen echter niet doorvloeien naar de
aandeelhouders natuurlijke personen. De hogere dividenden mogen ook worden
gebruikt voor de betaling van aandeelhouders die wensen uit te treden voor
zover de dividenduitkeringen worden gebruikt voor de terugbetaling van een
lening of de aflossing van een rekening-courant die werd aangegaan voor de
uitkoop van sommige aandeelhouders. De terugbetaling van de lening of de
aflossing van de rekening-courant moet echter wel over een voldoende lange
periode worden gespreid (minimum 5 à 7 jaar);
de door NV A en door BVBA B betaalde managementfees,
bedrijfsleidersbezoldigingen, enzovoort overeen zullen stemmen met de
vroegere bedrijfsleidersbezoldigingen. De geldstroom vanuit NV A en BVBA B
naar BVBA C mag hoger zijn dan de vroegere bedrijfsleidersbezoldigingen
indien blijkt dat hier daadwerkelijk prestaties tegenover staan (bv.
boekhouding, personeel, ?) die vroeger op het niveau van NV A en BVBA B
werden verricht en nu door de BVBA C worden uitgevoerd en marktconform
worden doorgerekend.
7. Het verslag van de externe adviseur of revisor, dat de waarde van de
ingebrachte aandelen op het ogenblik van de inbreng weergeeft, zal worden
overgemaakt aan de DVB.
III. Motivering van de aanvraag
8. De aanvragers zijn reeds sedert de oprichting van de NV A en BVBA B
eigenaar van de aandelen.
9. Het opzetten van de beoogde structuur, met name de inbreng van de
aandelen NV A en van BVBA B zou ertoe bijdragen dat alle activiteiten van de
aandeelhouders van NV A en van BVBA B gecentraliseerd zullen worden in BVBA
C:
9.1 De verankering van de participatie in NV A en in BVBA B. Zo kunnen de
aandeelhouders van NV A en van BVBA B hun controle over respectievelijk NV A
en over respectievelijk BVBA B behouden via BVBA C. De aandeelhouders van NV
A en van BVBA B kunnen immers via BVBA C zorgen voor de nodige financiële
middelen om in voorkomend geval mee in te schrijven op mogelijke
kapitaalverhogingen van NV A en van BVBA B Indien de aandeelhouders van NV A
en van BVBA B die financiering in persoonlijke naam zouden aangaan, zou dit
te grote risico’s met zich meebrengen, wat niet zou getuigen van het
handelen als een ‘goede huisvader’.
9.2 Een mogelijkheid creëren om de uitbouw van mogelijke nieuwe
activiteiten van BVBA C te financieren, dit kan op 2 manieren:
i. Via dividenden van de aandelen NV A en van BVBA B die BVBA C zou
bekomen.ii. Via kredieten of leningen die BVBA C zal bekomen door de
participaties in NV A en in BVBA B als onderpand te geven.
10. Door de inbreng zullen mogelijke toekomstige discussies tussen
aandeelhouders niet uitgediscuteerd dienen te worden in NV A en in BVBA B,
hetgeen ongetwijfeld een verlammende werking kan hebben op de
vennootschappen. Door de rechtlijnige aandeelhoudersstructuur zullen NV A en
BVBA B, tot op vandaag de operationele vennootschappen, in alle rust kunnen
werken.
11. Door de inbreng in de holdingvennootschap kan er geleidelijk gewerkt
worden naar een overdracht van alle bevoegd- en verantwoordelijkheden naar
de dochters V en W.
12. Een gelijke verdeling van alle eigendomsrechten tussen de kinderen
bij later uittreden van de ouders kan door gebruik te maken van de
holdingstructuur beter georchestreerd worden.
13. Voorlopig blijven de ouders, als hoofdaandeelhouders van de
holdingvennootschap steeds toezicht en zeggenschap behouden over de
werkmaatschappijen, en dit terwijl het dagelijks bestuur reeds aan de
kinderen kan toevertrouwd worden.
IV. Beslissing
14. De geplande inbreng van de aandelen NV A en BVBA B in de holding BVBA
C moet als een verrichting worden beschouwd.
15. De meerwaarde die bij de inbreng van de aandelen wordt gerealiseerd
is niet het gevolg van speculatie als bedoeld in artikel 90, 1°, WIB 92.
16. De aandelen zijn portefeuillewaarden als bedoeld in artikel 90, 1°,
WIB 92 en behoren tot het privévermogen van de aanvragers.
17. Gelet op de engagementen vermeld in het punt 6 kan worden aangenomen
dat de verrichting niet als hoofddoel belastingontwijking heeft.
18. De beslissing is slechts geldig voor zover het verslag van de
bedrijfsrevisor of de accountant, dat de waarde van de aandelen NV A en BVBA
B op het ogenblik van de inbreng in de holdingvennootschap weergeeft, aan de
DVB zal worden overgemaakt.