Ruling 700.532 dd. 18.03.2008 - Interne meerwaarden
Voorafgaande beslissing nr. 700.532 dd. 18.03.2008
Personenbelasting
Meerwaarde
Meerwaarde op aandelen
Privé-vermogen
Normaal beheer van het privé-vermogen
Samenvatting
De aanvraag strekt ertoe een voorafgaande beslissing te bekomen omtrent
het feit dat de geplande inbreng tegen marktwaarde door de aanvragers van
hun deelneming in privé-bezit in een werkvennootschap in hun nieuw
opgerichte holdingvennootschap als een normale verrichting van beheer van
privé-vermogen als bedoeld in artikel 90,1°, WIB 92, kan worden beschouwd.
Er wordt beslist dat de vooropgestelde verrichting niet als speculatief
kan worden beschouwd en dat, gelet op de aangegane engagementen, artikel
90,1°, WIB 92 niet zal worden toegepast.
I. Voorwerp van de aanvraag
De aanvraag strekt ertoe te vernemen of:
1. de geplande inbreng tegen marktwaarde door de heer en mevrouw A - B en
de heer C van hun deelneming in BVBA X in een nieuw opgerichte
holdingvennootschap BVBA Y als een normale verrichting van beheer van een
privé-vermogen als bedoeld in artikel 90, 1° van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) kan worden beschouwd
II. Omschrijving van de verrichting
II.A. Beschrijving van de activiteiten en de huidige
aandeelhoudersstructuur van de betrokken vennootschappen
2. De heer en mevrouw A ? B, zijn voor 25% aandeelhouder van BVBA X. 25%
van de aandelen van BVBA X zijn in handen van de heer C. De andere 50%
aandelen zijn in het bezit van BVBA Y.
3. BVBA X, opgericht in 1994, is actief in de industriële sector.
4. In 1994 besloten de twee broers A en C om samen een onderneming te
starten. De heer C beschikte over de nodige technische ervaring, terwijl de
heer A commercieel en administratief onderlegd was.
5. Een kennis uit de vroegere werksfeer van A, met name de heer D in wie
de broers een groot vertrouwen hadden, werd aangesproken om BVBA X
financieel te ondersteunen.
6. De onderneming legt jaarlijks mooie resultaten neer en de verwachting
is dat men nog zal groeien. Teneinde deze groei te maximaliseren zijn de
broers er van overtuigd dat bepaalde investeringen zullen nodig zijn.
7. Na onderhandeling tussen de drie partners is evenwel gebleken dat de
heer D niet op dezelfde lijn zit als de twee broers. Hij is namelijk niet
bereid om opnieuw een kapitaalinjectie te leveren om deze groeistrategie te
realiseren. Hij wenst eerder rendement te halen uit de optimalisatie en de
maximalisatie van de bestaande productiecapaciteit dan het risico te lopen
in de plannen van de broers om uitbreidingsinvesteringen te verrichten. Het
verschil in strategische visie bleek dermate groot dat in onderling akkoord
beslist werd dat de broers A en C de heer D zouden uitkopen.
8. Dit akkoord werd onlangs uitgewerkt. De broers A en C hebben in 2007
om financieringsredenen BVBA Y opgericht, die als vennootschap in oprichting
alle aandelen BVBA X van de heer D heeft overgekocht.
9. BVBA Y werd opgericht in 2007. Het maatschappelijke doel is
patrimonium-, holding- en managementactiviteiten. De aandelen zijn voor 50%
in handen van de huwelijksgemeenschap A - B en voor 50% in handen van de
heer C. Beide broers zijn zaakvoerder.
10. De onderhandelingen met de heer D optredend als derde
partij,resulteerden in een totale prijs van x EUR. Er werd overeengekomen
dat deze verkoopprijs in verscheidene schijven kon worden betaald en wel als
volgt: in 2007: 62,5%, en in 2008, 2009 en 2010 telkens 12,5%.
11. De vennootschap BVBA Y werd opgericht met een maatschappelijk
kapitaal, waarvan een deel bestemd werd als werkingsmiddelen. Voor het
verschil in de betalen eerste schijf werd bij wijze van overgangsmaatregel
een straight loan afgesloten bij een bank. Deze straight loan zal begin 2008
heronderhandeld worden. De straight loan zal aldus worden omgezet in een
lening over een voldoende lange termijn (over 7 jaar). De toekomstig af te
lossen schijven van de verkoopprijs aan de heer D (telkens 12,5% van de
verkoopprijs in 2008, 2009 en 2010) zullen normaal gezien financieel kunnen
gedragen worden zodat er momenteel geen plannen zijn om deze via een
banklening te financieren.
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting
12. De heer en mevrouw A - B en de heer C wensen hun deelneming in te
brengen tegen marktwaarde in een nieuw opgerichte holdingvennootschap onder
de vorm van een BVBA.
13. Wat betreft de inbrengverrichting verbinden de aanvragers er zich toe
de volgende engagementen na te leven:
gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng zal er
geen kapitaalvermindering door de holdingvennootschap doorgevoerd worden;
gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng zal er
geen kapitaalvermindering doorgevoerd worden door BVBA X, tenzij die
middelen door de holdingvennootschap worden gebruikt voor bijvoorbeeld
nieuwe investeringen of financiering van andere groepsvennootschappen of
verbonden ondernemingen zonder dat deze geldmiddelen mogen doorstromen naar
de aandeelhouders-natuurlijke personen;
gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng zullen de
dividenduitkeringen door BVBA X niet wijzigen ten opzichte van vroeger (d.w.z.
vóór de inbreng in de holdingvennootschap). Er mogen toch hogere dividenden
worden uitgekeerd indien wordt aangetoond dat deze dividenduitkeringen
worden gebruikt voor bijvoorbeeld nieuwe investeringen of financiering van
andere groepsvennootschappen of verbonden ondernemingen. De hogere
dividenduitkeringen mogen echter niet doorvloeien naar de
aandeelhouders-natuurlijke personen. De hogere dividenden mogen ook worden
gebruikt voor de betaling van aandeelhouders die wensen uit te treden voor
zover de dividenduitkeringen worden gebruikt voor de terugbetaling van een
lening of de aflossing van een rekening-courant die werd aangegaan voor de
uitkoop van sommige aandeelhouders. De terugbetaling van de lening of de
aflossing van de rekening-courant moet echter wel over een voldoende lange
periode (minimum 5 jaar) worden gespreid;
gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng zullen de
door BVBA X betaalde managementfees, bedrijfsleidersbezoldigingen,
enzovoort, overeenstemmen met de vroegere bedrijfsleidersbezoldigingen. De
geldstroom vanuit de werkmaatschappij naar de holdingvennootschap mag hoger
zijn dan de vroegere bedrijfsleidersbezoldigingen indien blijkt dat hier
daadwerkelijk prestaties tegenover staan (bijvoorbeeld boekhouding,
personeel,…) die vroeger op het niveau van de werkmaatschappij werden
verricht en nu door de nieuwe holdingvennootschap worden uitgevoerd
(eventueel met overdracht van het betrokken personeel) én marktconform
worden doorgerekend.
14. De aanvragers engageren er zich tevens toe dat de waarde van de
aandelen BVBA X op het moment van de inbreng zal worden bepaald door een
revisor aan de hand van gangbare en algemene waarderingstechnieken en dat
het waarderingsverslag aan de DVB zal worden overgemaakt van zodra het
beschikbaar is.
III. Motivering van de aanvraag.
15. Er is geen twijfel aan het feit dat de respectievelijke participaties
in de vennootschap BVBA X tot het privé-patrimonium van de aanvragers
behoren.
16. De voorgenomen transactie (inbreng van deze aandelen in de pas
opgerichte holdingvennootschap BVBA Y) kadert dan ook in het normaal beheer
van hun privé-vermogen.
17. In casu zijn de aanvragers de mening toegedaan dat een gemiddeld
normaal en zorgvuldige persoon (?de goede huisvader?), die zich in dezelfde
omstandigheden bevindt, dezelfde beslissing tot inbreng zou nemen. Dit
aangezien de niet-uitvoering van de hierboven geplande transacties naar hun
mening de toekomst van de groep niet ten goede zou komen en dus hun
privé-vermogen onder de vorm van de aandelen van de vennootschap BVBA X
slechts negatief kan beïnvloeden.
18. De voorgestelde verrichting is ingegeven door bedrijfseconomische
redenen. Daar waar de broers A en C om financieringsredenen genoodzaakt
waren om gezamenlijk een holding op te richten voor de uitkoop van de derde
aandeelhouder, de heer D, biedt deze holding thans de uitgelezen
mogelijkheid om de samenwerking tussen hen beide ook op juridisch vlak te
verankeren. Het is namelijk zo dat beide broers afhankelijk zijn van elkaar
vermits de heer A de commerciële en administratieve verantwoordelijkheid
draagt, terwijl de heer C instaat voor de productie en de organisatie. Het
draagt dan ook de voorkeur om de volledige controle over BVBA X in een
gemeenschappelijk vermogen onder te brengen, zodat beleidsbeslissingen
steeds in gemeen overleg kunnen genomen worden en de goedkeuring van beide
broers dragen.
19. Het is de bedoeling van de beide broers om een groeistrategie te
volgen. In dit kader biedt een holdingstructuur de mogelijkheid om eventueel
in de toekomst met gespaarde liquiditeiten, nieuwe of andere bijhorende
activiteiten te ontplooien buiten het bedrijfsrisico van de huidige
vennootschap of om eventuele toekomstige overnames te organiseren met
onmiddellijke integratie in de groep.
20. Iets verder toekomstgericht zal de holding eveneens toelaten om
overtollige liquiditeiten aan het ondernemersrisico van de werkvennootschap
te onttrekken, zonder dat deze uit de groep moeten gehaald worden. Op deze
manier kan een financiële buffer gecreëerd worden die risicoloos kan belegd
of herinvesteerd worden.
21. De voorgenomen verrichting is ook ingegeven door successoriale
motieven. Ongeacht wat er gebeurd met de broers A en C, blijven de aandelen
van BVBA X eigendom van de holdingvennootschap BVBA Y zodat versnippering
van het aandeelhouderschap op het niveau van BVBA X vermeden wordt en aldus
de continuïteit in de leiding gegarandeerd wordt. Rekening houdend met de
geplande groeistrategie kan op termijn overwogen worden om de
administratieve taken op het niveau van de holding te organiseren, zodat
BVBA X zich enkel en alleen op zijn core business dient te concentreren. Dit
kan op zijn beurt er toe leiden dat makkelijker gebruik kan gemaakt worden
van de mogelijkheid geboden door artikel 60bis van het Wetboek der
Successierechten (Vlaams Gewest), om familiale ondernemingen fiscaal
vriendelijk te vererven.
IV. Beslissing
22. De inbreng door de aanvragers van hun aandelen van BVBA X in BVBA Y
moet als een verrichting worden beschouwd.
23. De meerwaarde die naar aanleiding van de inbreng van de aandelen
wordt gerealiseerd is niet het gevolg van speculatie als bedoeld in artikel
90, 1, WIB 92.
24. De aandelen zijn portefeuillewaarden als bedoeld in artikel 90, 1°,
WIB 92 en behoren tot het privé-vermogen van de aanvragers A, B en C.
25. Gelet op de engagementen vermeld in punt 13 worden aangenomen dat de
verrichting niet als hoofddoel belastingontwijking heeft.
26. De beslissing is slechts geldig voor zover het verslag van de
bedrijfsrevisor, dat de waarde van de aandelen van BVBA X op het ogenblik
van de overdracht aan BVBA Y weergeeft, zal worden overgemaakt aan de DVB.