Verkoop van groenestroomcertificaten voortaan onderworpen aan btw (Beslissing 26 februari 2008)
Beslissing nr. E.T.113.522 dd. 26.02.2008
Dienst
-
Tarief
-
Verhandeling van groenestroomcertificaten
-
Warmtekrachtcertificaten
Teneinde te voldoen aan de richtlijnen inzake
hernieuwbare energiebronnen opgelegd door de Europese Unie, heeft België
geopteerd voor de invoering van een minimumnorm hernieuwbare energiebronnen,
gecontroleerd via groenestroomcertificaten. Binnen dit systeem wordt iedere
elektriciteitsleverancier verplicht een minimum aandeel van zijn aan
eindverbruikers geleverde elektriciteit te betrekken uit hernieuwbare
energiebronnen. Hiertoe worden de elektriciteitsleveranciers verplicht om
een corresponderend aantal groenestroomcertificaten voor te leggen aan de
reguleringsinstantie en wordt per ontbrekend certificaat een administratieve
geldboete opgelegd, zodat de naleving van deze verplichting wordt opgevolgd
en afgedwongen.
Groenestroomcertificaten worden door de
reguleringsinstantie bij de productie van groene stroom toegekend aan de
producent, en zijn vrij verhandelbaar. De elektriciteitsleveranciers kunnen
bijgevolg de opgelegde norm halen door groenestroomcertificaten aan te
kopen. De certificaten kunnen eveneens worden gekocht door personen die niet
gehouden zijn certificaten voor te leggen. De verhandeling van de
groenestroomcertificaten vormt een parallelle markt, los van de verkoop van
elektriciteit.
Inzake de toepassing van de BTW voorziet beslissing
nr. E.T. 110.775 van 28 februari 2006 dat de groenestroomcertificaten dienen
aangemerkt te worden als verhandelbare waardepapieren (andere dan aandelen
of obligaties) die worden beoogd door de vrijstelling van artikel 44, § 3,
10° van het Btw-Wetboek. De overdracht van dergelijke certificaten is
bijgevolg vrijgesteld van BTW. Diensten inzake bewaring en beheer van die
certificaten zijn evenwel belastbaar op grond van de uitzondering voorzien
in voornoemd artikel 44, § 3, 10°.
Deze beslissing was het gevolg van besprekingen op
Europees niveau betreffende de quota voor de emissie van CO2 en
tijdens dewelke er werd beslist de problematiek van de groene stroom nog
verder te bestuderen. Zij was dan ook slechts voorlopig van toepassing.
Na grondig onderzoek betreffende zowel de intrinsieke
kenmerken van de groenestroomcertificaten als de wijze waarop zij op fiscaal
vlak worden behandeld in de verschillende Europese landen die voor de
invoering van een dergelijk systeem opteerden, moet men vaststellen dat de
groenestroomcertificaten eerder verwant zijn met rechten die vergelijkbaar
zijn met licentierechten en dat het onjuist is deze nog te beschouwen als
verhandelbare titels (andere dan aandelen of obligaties) te beschouwen zoals
bedoeld in de vrijstelling van voornoemd artikel 44, §3, 10°.
Bijgevolg is de verhandeling van
groenestroomcertificaten, zoals de verhandeling van quota voor de uitstoot
van gassen met broeikaseffect (zie beslissing nr. E.T. 109.133 van 16 maart
2005), een dienst als bedoeld in artikel 18, §1, tweede lid, 7° van het
Btw-Wetboek. Deze overdracht is aan de BTW onderworpen tegen het normaal
tarief, wanneer deze overeenkomstig artikel 21, § 2, of 21, § 3, 7°, a), van
het BTW-Wetboek hier te lande plaatsvindt. Terzake is geen enkele
vrijstelling van toepassing.
Onderhavige beslissing treedt in werking vanaf 1 april
2008. De hiervoor omschreven beslissing nr. E.T. 110.775 van 28 februari
2006 evenals de beslissing nr. E.T.110.775/2 van 24 april 2006, tweede lid,
in fine betreffende warmtekrachtcertificaten wordt vanaf die datum
opgeheven.